Missionarissen van Afrika.
(witte zusters en witte paters)
(NL).

Contactbrief 1e editie 2017. (nr. 203)

dinsdag 25 juli 2017 door Webmaster



.-.-. INHOUDSOPGAVE .-.-.



EDITORIAAL
Piet van der Pas
*

150 jaar WITTE PATERS e.a.
Geert Groenewegen
*

IN DE VOETSPOREN VAN DE
WITTE PATERS

Frans Wijsen
*

DE GENEZING VAN JUMA
René van der Mast
*

EEN MISSIONARIS BEKEERD DOOR EEN HEIDEN
Charles Sarti
*

JUBILARISSENDAG
*

ONZE OVERLEDENEN
    - Theo de Jong
    - Rein Folst
    - Henk Kager
    - Martien van de Ven
    - Wim van Dijk
    - Familieleden en kennissen

*

HET LAATSTE WOORD
is aan Sector-overste
Piet Buijsrogge
*




.-.-.-.-.-.-.-.-.-.




Sinds afgelopen jaar, lieve lezer, is onze Sociëteit de aanloop begonnen naar de vieringen van het 150-jarig bestaan van de Witte Paters en de Witte Zusters. In 1868 stichtte de Franse kardinaal Charles Lavigerie onze Sociëteit van Witte Paters in Al-gerije, een moslimland in Noord-Afrika. Een jaar later in 1869 stichtte hij de Congregatie van de Witte Zusters. Sindsdien zijn heel wat ‘WITTE KARAVANEN’ van zusters, broeders en paters naar Afrika getrokken en hebben meer dan 9000 jonge mannen en vrouwen hun leven als missionaris aan Afrika gegeven. Wij Witte Paters (M. Afr.) werken nog steeds in 22 verschillende Afrikaanse landen. Onze Zusters (MZOLA), zijn nog aanwezig in 15 landen. Een jonge garde van bijna 300 Afrikaanse Missionarissen van Afrika heeft het nu bijna helemaal van ons overgenomen terwijl 484 kandidaat-witte paters momenteel worden opgeleid. Het verhaal gaat dus door!

In onze eigen Nederlandse sector binnen de Europese Provincie, zijn onze zusters, paters en broeders begonnen met een praktisch initiatief rond dit jubileum, namelijk het opzetten van een tentoonstelling over leven en werk van onze beide missionaire instituten die in Afrika en elders werkzaam zijn.

7 van de 10 leden van de eerste karavaan
naar Centraal Afrika

Wij zelf leveren materialen en ideeën voor die tentoonstelling, maar hebben ons weten te verzekeren van de expertise van professionals om het allemaal op poten te zetten. Die expositie zal in het bijzijn van talrijke genodigden officieel geopend worden op 30 april 2017 in het voormalige Kruisherenklooster van St. Agatha, een klein dorp binnen de Brabantse gemeente Cuijk a. d. Maas. Het is trouwens ook in St. Agatha dat in 2016 officieel enkele ruimten in gebruik zijn genomen voor het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven. De beschikbaar gestelde ruimten bieden onderdak aan het erfgoed van rond de 100 kloosterorden, waaronder de archieven van de Witte Paters. Kenmerkende boeken, audiovisueel materiaal, Afrikaanse voorwerpen en religieuze kunst hebben we daar onder kunnen brengen en dat alles is ook voor geïnteresseerden toegankelijk. [1] Sinds 2015 is het Erf-goedcentrum opgenomen in het Museumregister Nederland. Het is dus hier in dit geregistreerd museum van St. Agatha dat onze tentoonstelling die dag zal aanvan-gen en continue te zien zal zijn tot oktober van dit jaar. Zegt het voort!

In deze uitgave van de Contactbrief laten we een paar mensen aan het woord die wat vertellen over het missie- en ontwikkelingswerk door diezelfde Witte Paters verricht in de loop van de voorbije jaren. Onze collega, Geert Groenenwegen, ver-telt hoe hij zelf als witte pater-missionaris deel uitmaakte van die 150-jarige geschiedenis, terwijl prof. dr. Frans Wijsen verhaalt over zijn contacten en samenwerking met de Witte Paters in Oost-Afrika. Opvallend is zijn suggestie dat de Witte Paters meegaan in de omgekeerde missie van Afrikaanse missionarissen naar Europa. Hij zou het zonde vinden als de Witte Paters helemaal uit Nederland zouden verdwijnen; wij zouden, als dit dreigt te gebeuren, Afrikaanse medebroeders naar Nijmegen moeten sturen en hen opleiden op de manier waarop de Witte Paters destijds missionarissen opleidden in hun Taal en Cultuur Centrum in Kipalapala.

In de rubriek ONZE OVERLEDENEN vindt u vijf korte levensverhalen van medebroeders die ons ontvallen zijn. En tot slot gaan we in dit nummer nog even door met waar we afgelopen keer al mee begonnen zijn: het vertellen van een aantal Witte Pater-anekdotes en verhalen met een greep uit hun gevatte en humoristische opmerkingen. De moeite van het vertellen waard! Dat die in de voorbije aflevering in de smaak vielen, bleek wel uit de vele enthousiaste en leuke commentaren die we hebben gehad.
H. Pauwels.

Tenslotte laat ook onze sector-gedelegeerde, Piet Buijsrogge, zijn gedachten gaan over de tentoonstelling ‘De Witte Karavaan’ te St. Agatha en nodigt u allen uit deze toch zeker te bezoeken.


De Witte Paters bestaan 150 jaar, maar in het volgende korte artikel ga ik het niet hebben over de 150-jarige geschiedenis van de Missionarissen van Afrika (de Witte Paters), want die wordt elders al accuraat en gedetailleerd beschreven. Wel wil ik U vertellen hoe ik vanuit eigen ervaring en bescheiden kennis aankijk tegen de Witte Paters als missionaire organisatie en hoe ik deze zelf heb beleefd.

Hoe was het?

Toen ik in 1963 in Mali aankwam voor mijn eerste be-noeming in het bisdom Gao-Mopti werd missionerings-werk nog helemaal op de traditionele manier bedreven. Het doel was de Blijde Boodschap van Jezus Christus te brengen en de christenen in een kerkgemeenschap te organiseren. In het afgelegen gebied van de Dogon, een bevolkingsgroep in Mali, waar ik terecht kwam, was het armoe troef; afstanden waren groot en wegen zeldzaam. Wel hadden we daar al 12 uitstekende catechisten die in even zoveel dorpen leefden en getuigden. Zij waren in feite de apostelen van die dagen. Naast het apostolaat hadden we al lager onderwijs georganiseerd en was er een klein medisch centrum met door ons zelf opgeleide deskundigen. We trokken van dorp tot dorp en leefden van wat de mensen ons aanboden. We leerden hun taal en gebruiken en werden integraal onderdeel van de gemeenschap. Veel van wat we tijdens onze opleiding geleerd hadden bleek niet van toepassing in deze situatie. In samenspraak met de mensen ontdekten we hoe het Evangelie wortel zou kunnen schieten. Vooral op het vlak van de moraal bleven we erg bescheiden. De mensen zouden zelf wel ontdekken hoe ze het Geloof in overeenstemming moesten brengen met hun manier van leven. Op deze manier bouwden de christenen hun eigen gemeenschap op. Ook op politiek vlak moesten de mensen nog ontdekken dat ze nu tot een land behoorden dat Mali heette. Zodoende waren het nieuwe volkslied en het hijsen van de vlag iedere ochtend essentiële onderdelen van hun vorming.

Hoe is het?

We zijn nu 50 jaar verder en een ongelofelijke ontwikkeling heeft zich voorgedaan. We spreken niet meer van missieposten maar van een Kerk. Het bisdom heeft een Malinese bisschop, jongeren worden opgeleid tot priester en meisjes hebben gekozen voor het religieuze leven. Mali heeft een katholieke faculteit die met andere faculteiten in West-Afrikaanse landen een universiteit vormt. Ook al is de grote meerderheid van de bevolking moslim, de Kerk heeft een grote morele invloed op de ontwikkelingen in het land. Alle bisschoppen zijn uit de christengemeente zelf voortgekomen en het aantal priesters neemt gestaag toe. Meerdere radiozenders verspreiden het katholieke nieuws en dragen bij tot de algemene ontwikkeling. De Kerk is volwassen geworden. De aanwezigheid van Witte Paters heeft een meer ondersteunende functie gekregen. Wij hebben een centrum voor islamstudies (IFIC) en verzorgen de voortzetting van de activiteiten. We worden nu gevraagd om acti-viteiten te ontplooien vanuit een plaatselijk gevoelde behoefte. Deze beschrijving is toepasbaar op veel gebieden waar de Witte Paters oorspronkelijk begonnen zijn. Er zijn natuurlijk plaatselijke variaties, maar over het geheel genomen zien we overal dezelfde ontwikkelingen. En de vraag is dus……

Hoe wordt het?

Ook de Witte Paters zijn sterk veranderd in hun samenstelling. De oudere generatie rust uit in bejaardencentra en de jongeren zijn actief in het veld. Aangezien de Witte Paters vanaf de beginjaren lokale verantwoordelijken wilden opleiden, zochten ze toen geen jonge kandidaten voor hun eigen gelederen in Afrika.
Omdat in latere jaren de toevoer van jonge Witte Paters uit niet-Afrikaanse landen stokte, leek het dat ons bestaan op termijn zou eindigen. Toen begonnen de Witte Paters te rekru-teren in Afrika met gevolg dat daarginds nu alle vormingshuizen vol zitten en we, naast onze 484 studenten, al bijna 300 jonge Afrikaanse leden hebben. Wel ontstond er een generatiekloof die voor wat problemen zorgde. Ons laatste Algemene Kapittel van verleden jaar was in grote meerderheid samengesteld uit de jonge garde. We kregen een algemeen bestuur met een Zambiaan als Algemeen Overste en vier assistenten, waarvan twee uit Afrikaanse landen. En ook het actieplan veranderde sterk. Gerechtigheid en Vrede, Ontmoeting en Dialoog, Oecumene, Integriteit van de Schepping waren de hoofdingrediënten. Ook de spiritualiteit werd meer op ecologische dan op Ignatiaanse aspecten geconcentreerd. Trouw aan het basisidee van Kardinaal Lavigerie, gaan we door met het bouwen aan een Nieuwe Wereld.

In de 150 jaar die achter ons liggen zijn we sterk veranderd en toch hetzelfde gebleven. Onze internationale gemeenschappen werden interculturele gemeenschappen. Kwam het oorspronkelijk initiatief uit Europa, nu ligt het accent op het Zuidelijk Halfrond. Leunden we vroeger op onze Europese achterban voor onze financiën, nu zoeken we plaatselijke bronnen van inkomsten. Kwam men vroeger naar Europa voor studies, nu verschaft Afrika meer dan genoeg mogelijkheden tot verdere vorming.

Vandaag worden de accenten verlegd, maar de bron blijft hetzelfde: de bevrijdende Blijde Boodschap van Jezus Christus voor alle volken.


Twee Franse medebroeders brachten de profetie van Jesaja wel heel letterlijk in praktijk: pater L’Agneau (het lam) woonde en werkte vreedzaam samen in een en dezelfde missiepost met pater Leloup (de wolf)!
Zei de profeet niet: “De wolf is de gast van het lam” (11:6)?

Een witte pater wilde perse niet ouder worden dan 80 jaar; dat was voor hem de limiet. Hij zei: "Alles wat ik hier op aarde langer leef, gaat allemaal af van de eeuwigheid."



In 1984 werd ik [2] door de Nederlandse Provincie van de Sociëteit voor Afrikaanse Missiën (SMA) [3] uitgezonden naar Tanzania. Op dat moment was er nagenoeg geen SMA presentie in Oost Afrika behoudens een paar Amerikaanse SMA priesters die in een Maryknoll parochie in Shinyanga bisdom werkten. De Generale Vergadering in 1983 had besloten de SMA presentie in Oost Afrika te versterken en ik werd gevraagd om namens de Nederlandse Provincie daaraan mee te werken en een weg te bereiden voor andere Nederlandse SMA-ers.

Omdat dit mijn eerste benoeming was (ik had eerder stage gedaan in Ghana) werd mij gevraagd een Nederlandse mentor in Tanzania te zoeken vanuit de gedachte dat die mij beter zou kunnen begrijpen en begeleiden dan een Tanzaniaanse mentor. Via een bevriende zuster in Sengerema kwam ik in contact met Jan van der Geest in Bukumbi. Ik zou daar later nog veel andere Witte Paters ontmoeten; ik kan ze onmogelijk allemaal bij naam noemen. Ik vroeg hem mijn mentor te zijn en zon-der zijn nuchtere blik op Afrika en missie had ik het waarschijnlijk niet volgehouden.

Sindsdien is mijn leven sterk beïnvloed door de Witte Paters die ik eerder had leren kennen in het Karibu huis in Nijmegen. Ik moet eerlijk bekennen dat ik mij vaker heb uitgegeven als een lid van de Sociëteit van Missionarissen van Afrika (ik gebruik de begrippen “Witte Paters” [4] en “Missionarissen van Afrika” voor het gemak door elkaar) dan van SMA. Ik wilde een lang college over het ontstaan van de twee soci-eteiten vermijden. Mijn beïnvloeding door de Witte Paters verliep in twee fasen met twee aandachtsvelden die kenmerkend zijn voor de Witte Paters, en dus ook voor mij, namelijk inculturatie en dialoog.

Tijdens mijn bezoeken aan Bukumbi werden menige uitstapjes gemaakt naar het nabijgelegen Kalwande waar Kees Dielemans in zijn Church Development Office Tanzaniaanse en Nederlandse jongeren met elkaar in contact bracht en liet samenwerken. Een intercultureel experiment met veel uitdagingen, en grenzen doorbrekend. Het ontwikkelingswerk van de Witte Paters en de Witte Zusters viel een beetje buiten mijn missionair-pastorale blikveld, maar is zeker niet onopgemerkt gebleven.

Eenmaal gesetteld in Gula ontdekte ik al snel dat het een voormalige missie van de Witte Paters was. Hoe kon het ook anders; de Maryknoll paters waren immers pas na de Tweede Wereldoorlog naar Oost Afrika gekomen. Het socialistische Ujamaa experiment liep ten einde en er was honger. Ook in Gula was niet veel eten. Dus Mwanza was onze uitvalsbasis en de gastvrijheid van Wim van Oostrum in het Bisschopshuis maakte het leven een stuk aangenamer.

Via de Maryknoll Paters raakte ik betrokken bij de onderzoeksgroep (kamati ya utafiti) van het Sukuma Cultural Centre in Bujora. De bijdrage van bisschop Joseph Blomjous (aan wie ik mijn proefschrift heb opgedragen) en regionaal Jan Hendriks aan wat in de jaren vijftig van de vorige eeuw adaptatie of accommodatie (en later inculturatie) werd genoemd is enorm. Dit geldt niet alleen op het gebied van liturgie maar ook op het gebied van catechese. De onuitputtelijke inzet van Martien van de Ven (die toen econoom in Nederland was) en Max Tertrais voor het Sukuma Cultural Centre worden tot op de dag van vandaag geroemd.

Het werk van Bisschop Blomjous vormde de grondslag voor wat later het Tanzania Pastoral and Research Institute (TAPRI) werd en het Pastoral Institute van de Association of Member Episcopal Conferences in East Africa (AMECEA). Ook de African Ecclesiastical Review, eveneens een idee van Bisschop Blomjous dat gerealiseerd werd door Joop Geerdes, heeft het denken van honderden missionarissen en Afrikaanse pries-ters gevormd. De invloed van Bisschop Blomjous op het Tweede Vaticaans Concilie en de kerk en theologie in Oost Afrika zou een diepgaande studie waard zijn (misschien ga ik die nog wel eens schrijven).

Mijn interesse in inculturatie bracht mij ook naar het Taal en Cultuur Centrum in Kipalapala waar het befaamde boek Bantu Customs van Piet van Pelt groeide, en verplichte literatuur werd voor elke beginnende missionaris in Tanzania. Natuurlijk waren daar ook het apostolaat van de Tanganyika Mission Press en het Student Centre in Tabora, en de basisschool voor dove kinderen niet te vergeten.

Na mijn eerste termijn werd ik benoemd als docent in de opleiding van de Sociëteit voor Afrikaanse Missiën in Heerlen. Ik bleef nauw verbonden met Oost Afrika, in Tanzania onder andere met de Saint Augustine University of Tanzania (die teruggaat op het Nyegezi Social Training Centre, wederom een creatie van Bisschop Blomjous) en het Tangaza College in Nairobi. Inmiddels was mijn aandacht verschoven van inculturatie naar dialoog met islam, en ook op dit vlak kwam ik de Witte Paters te-gen: Het Instituut voor Islamic Studies op Tangaza College waar ik Paul Hannon leerde kennen; en de belangrijke praktijkstudies van Peter Smith in Dar es Salaam, die een inspiratie voor mij waren.

Het internationale karakter en het communiteitleven van de Witte Paters heb ik altijd bewonderingwaardig gevonden. Dit had de SMA (toen) niet. Het zijn aspecten die in de spiritualiteit van de Witte Paters meer benadrukt zouden mogen worden. Een zwak punt vind ik (zeker niet alleen bij de Witte Paters) dat projecten vaak persoonsgebonden zijn en een kwakkelend bestaan leiden zodra deze persoon verdwijnt. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Instituut voor Islamic Studies in Tangaza College. Ik hoop dat de Witte Paters dit instituut nieuw leven inblazen, maar ik snap ook wel dat dit aan het Algemeen Bestuur is. En nu ik het toch over het Algemeen Bestuur heb, ik hoop dat de Witte Paters meegaan in de omgekeerde missie van Afrikaanse missionarissen naar Europa. Dit is een vraagstuk waarover ik met Jan Mol mocht nadenken. Het zou zonde zijn als de Witte Paters helemaal uit Nederland zouden verdwijnen. En als dit dreigt te gebeuren, haal dan een aantal Afrikaanse medebroeders naar Nijmegen waar wij de nieuwe missionarissen van andere religieuze instituten opleiden op de manier waarop de Witte Paters missionarissen op-leidden in hun Taal en Cultuur Centrum in Kipalapala.


Dit verhaal speelt zich af in Dodoma, in centraal Tanzania, en in Chalinze, een klein dorpje daar in de buurt, op 30 km afstand. Juma, één van de vele straatkinderen, zwierf rond op de markt van Dodoma: hij had continue honger, maar was te trots om te bedelen. Dus gapte hij hier en daar wat van de kraampjes. Dat kwam hem duur te staan, want op een dag werd hij op heterdaad betrapt en in de kraag gegrepen. Dat gebeurde in de tijd toen ‘mob-justice’ [5] nog getolereerd werd door de politie: in hun ogen was dat “één manier om ze van de straten te krijgen”.

Je hoorde dat mensen werden doodgeknuppeld of zelfs levend verbrand door een autoband rond hun middel in brand te steken, en dat is precies wat Juma overkwam.

Gelukkig kon ‘Twiga’, een Franse missionaris die in Dodoma met die straatkinderen werkte, net op tijd tussenbeide komen. Die bracht Juma naar het ziekenhuis waar hij maandenlang voor hem gezorgd heeft tot hij weer terug kon gaan naar zijn dorp Chalinze. Juma moest nu leren leven met een door brandwonden misvormd lichaam: daar kon Twiga weinig aan doen. Hij nam zich echter wel voor om de innerlijke wonden van Juma te helpen genezen; hij wilde dat van dit alles iets goeds zou komen. Hier is het relaas van de gebeurtenissen die volgden.

De bisschop van Dodoma had alle zondagsmissen in de stad en die hele streek afgelast en de mensen gevraagd naar Chalinze te komen. En ze kwamen, uit Dodoma en omliggende dorpen, uit Dar es Salaam en andere steden: moslims en christelijke leiders, hoofden van justitie, leger en vele anderen. Chalinze is een rustig klein dorp
waar nooit iets gebeurt, maar die zondag gebeurde daar iets heel uitzonderlijks: de genezing van Juma en van de hele bevolking.

Stel je voor: een stille, wachtende menigte met een klein altaar in het midden. Aan de ene kant de bisschop en notabelen; tegenover hen Juma met zijn ouders, en al die duizenden mensen in een dichte cirkel eromheen. De bisschop legde uit wat er gebeurd was en stelde de vraag waar mensen het recht vandaan haalden om iemand zó te berechten: “Vandaag staan wij allemaal hier terecht en worden schuldig bevonden aan deze misdaad tegen Juma”. Gedurende die viering van verzoening nodigde de bisschop iedereen uit om te knielen, behalve Juma: hij was de enige die bleef staan. In naam van de inwoners van Dodoma, Chalinze en heel Tanzania smeekte de bisschop om vergeving en genezing.

Die zondagmorgen waren al die mensen naar dat dorp in de heuvels gekomen om genezing en verzoening te vinden; wat zich daar afspeelde leek veel op wat er gebeurde in de heuvels van Palestina waar Jezus de menigte verzamelde om ze te genezen en te bemoedigen.

Inmiddels schijnt dit soort ‘mob-justice’ minder voor te komen, en ik hoor dat Juma nu de dorpstimmerman van Chalinze is en dat Twiga nu voor de vierde wereld werkt in Frankrijk.


Naderend einde? Een hoogbejaarde confrater lag met een longontsteking in bed en had een angstaanjagende hoest. Zijn medebroeder, Jan Hartog (Br. Alex), die een groot deel van zijn missionarisleven als timmerman in Burkina Faso had doorgebracht, kwam hem opzoeken met de bedoeling hem wat gezelschap te houden maar kreeg als goedbedoeld welkomst-woord te horen: “Zo, broeder, kom je de maat opnemen?”


Het was in het regenseizoen van 1970 in Burkina Faso [6]. Mijn vertrouwde 2CV [7] bracht me zo ver de bush in als de weg het toeliet. Ik liet mijn autootje achter in Nyimpiri en deed de rest van mijn reis op mijn nieuwe fiets. In de komende dagen wilde ik drie dorpen bezoeken.

Op mijn weg terug, ongeveer een kilometer van waar ik mijn auto had achtergelaten, tref ik een man in de schaduw van een boom. Zijn fiets staat ondersteboven en ik vraag of hij hulp nodig heeft. Gelukkig spreekt hij Mooré en verstaan we elkaar. Deze onverschrokken kerel komt van Sarakongo, ongeveer 145 kilometer ver weg, en is op weg naar Yako, 120 kilometer verder op, een reis van 265 km. Hij heeft een klein kind bij zich en zit hier al meer dan een uur. Zijn achteras is kapot. Geen mogelijkheid om dit ter plaatse te repareren. Hij heeft een onderdeel nodig.

Geen winkel of garage in de verre omtrek, dus watkan ik doen? Als hij alleen was geweest had ik hem misschien wel zijn eigen boontjes laten doppen, maar omdat hij een kind bij zich heeft … dat kan toch niet!? Ik denk aan de barmhartige Samaritaan en bied hem mijn fiets aan om verderop zijn fiets te laten maken. Ik kan ondertussen een dorp in de buurt bezoeken en hij kan me straks in Toma ontmoeten met het gerepareerde wiel en kan hij zijn eigen fiets weer terug krijgen. Dan bedenk ik dat hij voor mij een volslagen onbekende is en dat het best eens zou kunnen dat ik hem en mijn mooie fiets nooit meer terug zie. Maar ja, hoe blij zou ik niet zijn met hulp als ik er zelf zo voor stond? Zei Jezus niet: “Doe voor anderen, wat jij zou willen dat zij voor jou deden”?

Het was net alsof die beste man hetzelfde dacht en hij bood me zijn ID-kaart aan als een soort onderpand. Ik zag op die kaart dat hij een traditionele naam had en waarschijnlijk christen noch moslim was. Maar ik weigerde; er zou verder op best eens een controlepost van de politie kunnen zijn en dan zat hij in de problemen.

Hij vertrok richting oosten; ik noordwaarts. Diezelfde avond en opnieuw in de vroege morgen bedacht ik nogmaals hoeveel geluk dat die kerel had gehad dat ik daar toevallig voorbij kwam, terwijl ik me tegelijkertijd ook enigszins voelde benauwd bij de gedachte of ik hem nog ooit wel terug zou zien. Toen ik een tijdje later in Toma aankwam en mijn spullen uit de auto haalde, stond hij ineens naast me met een stralende brede lach op zijn gezicht. Hij bedankte me en zei eenvoudigweg:
“Ad Wênnaam nonga mam.” (d.w.z. “Waarachtig! God houdt van mij!”)

Ik, een missionaris, had lopen denken dat die man gewoon geluk had gehad en misschien niet te vertrouwen was, en dat onze ontmoeting alleen maar puur toeval was geweest. Hij daarentegen, een z.g. heiden, had ons treffen als een persoonlijk teken ervaren van Gods liefde voor hem. Een les die ik nooit zal vergeten.


Terugdenkend aan mijn ervaringen als Witte Pater, Missionaris van Afrika, komt meestal datgene naar boven wat ik gedurende mijn allereerste jaren ‘in de bush’, vanaf 1958 tot 1971 heb meegemaakt. Ik was toen benoemd in het uiterste Noorden van Zambia, relatief dicht bij de grens van Tanzania. Het gebied was zo groot als de provincie van Utrecht. De missiepost lag in het midden met daar omheen, over het hele land verspreid, een groot aantal buitenstaties. De streek was zwaar bebost en dun bevolkt.

De staf bestond, volgens de ‘semper tres’ regel van de Sociëteit, uit drie missionarissen, twee paters en één broeder. Er was altijd veel werk op de hoofdpost zelf, maar het grootste deel van elke maand was één van de paters altijd wel op safari. [8]

Dat betekende een fietstocht van de ene buitenstatie naar de andere waar men drie tot vier dagen verbleef. Sommige buitenposten waren groot, hadden een door de mensen zelf gebouwde leemstenen kapel met grasdak, en zelfs een schooltje; sommige waren behoorlijk primitief en in het eerste stadium van opbouw. De men-sen waren altijd blij als je aankwam. Vooral voor de hardwerkende vrouwen bete-kende het een paar dagen van rust en recreatie met veel zingen rond het kampvuur. Ik heb op die safari’s veel geleerd; je was ondergedompeld in het dagelijkse leven van de mensen.

Mijn overste, die me moest inwijden, was een capabele Duitser die al vóór de oor-log was aangekomen, die de lokale taal (het Bemba) bijna perfect sprak, maar mij al spoedig bekende dat hij bijna geen gevoel voor oriëntatie had.

Met een fijn gevoel voor humor vertelde hij me enkele verhalen die ik nooit vergeten ben. Op een goede dag fietste hij over de smalle bospaadjes terug naar de hoofdpost en stopte in elk dorpje voor een praatje. Maar, voordat hij het in de gaten had, was het zes uur s’ avonds en viel de nacht in als een donkere deken na een toneelvoorstel-ling. Hij fietste door in de richting waar hij dacht dat de hoofdpost gelegen was, maar bleef maar ronddwalen in de bossen. Rond middennacht was hij totaal gedesoriënteerd en had hij er genoeg van. Hij had geleerd om niet op de grond in slaap te vallen vanwege het gevaar van wilde dieren, insecten enz., en klom hoog op een tak van een boom waaraan hij zich met zijn riem vastbond. Toen viel hij in een diepe slaap. Tot zijn verbazing werd hij gewekt door het klokje van zijn eigen missie-post dat de mensen opriep voor het morgen-gebed en de Eucharistie!

Hij vertelde me ook dat, op een keer na een verblijf van drie dagen in een buiten-post, het dorpshoofd hem naar een tweesprong had gebracht, en hem heel duidelijk de weg naar de volgende post had gewezen. Hij fietste er met elan op los, nam de ene afslag na de andere en tot zijn vreugde belandde hij tegen de avond op, wat hij dacht, zijn volgende bestemming. De mensen kwamen geduldig naar de kapel, en baden beleefd het avondgebed met hem mee. Toen hij zich wilde installeren voor de nacht kwam dezelfde hoofdman rustig naar hem toe en vertelde hem met een lach dat hij in hetzelfde dorp was waaruit hij ‘s morgens vertrokken was. De volgende morgen liet hij een jonge man hem veilig naar de juiste plaats begeleiden. Ik heb zijn gebrek aan oriëntatie nooit begrepen want overdag komt de zon om zes uur in het Oosten op en gaat met een grote boog om 18.00 uur onder in het Westen, terwijl in de glorieuze Afrikaanse nachten met haar heldere sterrenhemel het Zui-derkruis toch duidelijk naar het Zuiden blijft wijzen.


Op 29 juni, het feest van Petrus en Paulus, wordt op St. Charles te Heythuysen het priesterjubileum gevierd van (v.l.n.r.):

  • Hans Rehms - de 60ste verjaardag van zijn wijding
  • Lambert Sep - de 60ste verjaardag van zijn wijding
  • Piet van Heijst - de 50ste verjaardag van zijn wijding
  • Ant. Oostveen - de 50ste verjaardag van zijn wijding
  • Piet van der Pas - de 50ste verjaardag van zijn wijding

De genodigden worden die dag verwacht om 10 uur op St. Charles, Op de Bos 2, 6093 NC Heythuysen.


Geiten slimmer dan schapen? M. v.d. Eijnden

Loslopende geiten en schapen waren een plaag op de weg voor chauffeurs. Maar geiten noemden wij "autobewust", want je hoefde maar te toeteren en meestal vlogen ze dan de weg af. Schapen daarentegen gingen zielig in een kliekje midden op de weg staan met hun domme koppen omlaag. Nu nog iedere keer wanneer ik hoor of lees dat Jezus ons met schapen vergelijkt, voel ik me boos worden en wil klaaglijk gaan blaten! ……

Hetzelfde geldt overigens voor kippen en eenden: kippen vliegen de weg af, terwijl eenden eraf gejaagd moeten worden.
H. Pauwels


Op de geit af, M. v.d. Eijnden

In 1970 bracht ik de juist gewijde bisschop Alphons Nsabi met de auto van Kigoma naar Kasulu, toen er onverwachts een geit de weg op schoot. Ik wilde die ontwijken, maar de bisschop schreeuwde: "Recht door" !!! We schampten hem nog juist met de rechterkant van de bumper en verontwaardigd mekkerend liep het beest gewoon verder. De bisschop vertelde toen, dat hij een jaar of zo geleden bij iemand in de auto zat die een overstekende kip wilde ontwijken. Ze gingen over de kop en hij kwam in het ziekenhuis terecht.


Doof: De oude Broeder Elisée (Jan Bloemberg) was behoorlijk doof. Toentertijd waren er alleen nog maar van die ouderwetse hoorapparaten met Japanse batterijtjes die veel te vlug leeg waren. Zijn commentaar op een zekere morgen: ‘Cettes petites japonaises ne sont que bonnes pour une nuit’! (= die kleine Japanse…, die gaan maar één nacht mee!)



Pater THEO DE JONG.

Theo werd op 18 mei 1925 op Ameland geboren. Kardinaal de Jong (1885-1955) was een oom van hem en Theo wilde, niet alleen priester worden zoals hij, maar priester-missionaris. Geboren eilander, gehard door de strijd tegen weer en wind, kon je Theo typeren als een doorzetter. Had hij zijn zinnen ergens op gezet, dan ging hij daar met vastberadenheid op af. Met die instelling reisde hij na zijn priesterwijding in 1954 af naar Uganda. Daar, in de bisdommen Mbarara en Kabale, heeft hij zich een toegewijd pastor getoond en was het gelukkigst als hij, te voet of op zijn Matchless-motorfiets, zijn parochianen op kon zoeken in de talloze kerkdorpen. Hij stond hen bij met raad en daad, en verheugde zich in zijn priesterlijke sacramentele bediening. In de parochies voelde hij zich gelukkig onder collega-Witte Paters van verschillende nationaliteiten.
Zo heeft hij b.v. nog een tijdje samen gewerkt met broeder Tobi Kizza, onze allereerste Ugandese medebroeder, die toen al meer dan 80 jaar oud was.

Tijdens zijn vele huisbezoeken ontdekte Theo de vele nare gevolgen van alcoholmisbruik. Hij ging op de fiets naar het buurbisdom Fort Portal om te zien hoe ze daar de Beweging voor Geheelonthouders hadden opgezet. Eenmaal thuis had hij in korte tijd 2000 leden geworven. Het werd zijn levenswerk en, afgezien van een miniem slokje dagelijkse miswijn, werd hij zelf ook geheelonthouder. Hij zette zich zó energiek voor de beweging in, dat de bisschop hem benoemde tot geestelijk adviseur en directeur van de beweging in het hele bisdom.

In mei 2004 kwam Theo voorgoed naar Nederland en ging in Heythuysen wonen. Hier schreef hij zijn levensverhaal, soms wat onhandig geformuleerd, maar dat verhaal getuigt wel van zijn grote liefde voor zijn missionaristaak en voor Uganda en de Ugandezen. In oktober 2016 ging zijn gezondheidstoestand achteruit en ging hij steeds meer zorg vereisen. Op 30 oktober werd hij per ambulance naar het ziekenhuis in Weert gebracht. Hij verloor steeds meer het bewustzijn en leek nauwelijks nog iemand te herkennen. In de morgen van 19 november 2016 is hij rustig ingeslapen.


Pater REIN FOLST.

Rein werd geboren in Schiedam op 14 september 1932 en verbond zich op 28 januari 1956 door de mis-sionariseed als broeder aan de Missionarissen van Afrika en kreeg de naam Casimir. Na het voltooien van zijn opleiding vertrok hij in september 1960 naar Mwanza in Tanzania en begon Swahili te leren en de cultuur te absorberen. Daarna werkte hij vooral als technicus aan de installatie van watervoorziening op verschillende plaatsen in het bisdom. Rein had een flegmatisch karakter. Hij werkte altijd rustig en ge-staag door, met oog voor details.

Na een aantal jaren voelde Rein de aandrang om pastoraal werk te gaan doen en wel als priester. In samenspraak met zijn oversten begon hij in 1969 de filosofische en theologische opleiding, samen met de Tanzaniaanse kandidaten, in de seminaries van Ntungamo en Kipalapala. De overgang van handwerk naar dagelijkse studie was zwaarder dan hij verwachtte, maar hij zette door met vastberadenheid.

Op 8 juli 1973 werd hij priester gewijd door Monseigneur Msakila, de bisschop van Sumbawanga, waar hij zou gaan leven en werken. Na wat vakantie in Nederland begon hij zijn pastorale werk in de zeer afgelegen parochie Mamba, die in de regentijd min of meer van de buitenwereld was afgesloten, maar hij voelde zich daar “best op zijn gemak”. Later verhuisde hij naar de parochie Ulumi; en in 1984 naar Tunduma. In juni 1989 verhuisde hij naar het buurbisdom Kigoma, de parochie Kabanga. In 2008 voerden zij daar een campagne onder de Katholieken om de traditionele huwelijken ook kerkelijk te laten inzegenen. Die inzegening vond plaats op Nieuwjaarsdag van 2009; wel 40 echtparen namen er aan deel waarvan enkelen al grootouders waren. Het werd een vrolijke plechtigheid!

In 2010 schreef hij dat hij niet meer kon functioneren vanwege een heel pijnlijke rug, te wijten aan slijtage. En zo keerde hij op 28 november 2011 terug naar Nederland. Na enige maanden in Dongen, vestigde hij zich in Heythuysen. Hij liep moeilijk maar bleef opgewekt en klaagde nooit. In de loop van 2016 ging zijn gezondheid steeds meer achteruit. Op 16 december 2016 is hij rustig in zijn appartement overleden.


Pater HENK KAGER

Henk werd geboren op 10 augustus 1928 in Hoogkarspel en volgde de opleiding tot missionaris in ’s-Heerenberg en Monteviot, in Schotland. Hij verbond zich op 21 juni 1954 door een missionariseed aan onze Sociëteit. Op 26 juni 1955 werd hij in Monteviot priester gewijd. Henk was principieel, had grote wilskracht en was een harde werker. Na zijn wijding werd hij benoemd om aan de Universiteit van Amsterdam wis- en natuurkunde alsook sterrenkunde te studeren. In 1963 legde hij met succes zijn doctoraal examen af. Zijn hele actieve leven zou hij leraar wis- en natuurkunde zijn, eerst op ons klein seminarie Santpoort-Driehuis en vanaf oktober 1967 in Tanzania op het klein seminarie Nyegezi in het bisdom Mwanza. In Nyegezi wist hij de nodige fondsen te vinden om de laboratoria van natuur- en scheikunde in te richten en van het no-dige instrumentarium te voorzien. En omdat in de jaren 80 de elektriciteit regelmatig uitviel - wat vooral een probleem was voor de avondstudie van de seminaristen - zorgde hij voor de installatie van zonne-energie. Voor zijn ontspanning ging hij zeilen op het Victoriameer. En als Commodore (voorzitter) van de zeilclub in Mwanza organiseerde hij ook regelmatig zeilwedstrijden. Henk heeft zijn werk op het seminarie altijd met plezier gedaan. Zo schreef hij in 1980: “Ik heb er 12 jaren opzitten in Nyegezi en ik kan er maar niet genoeg van krijgen. Mooi en dankbaar werk”. Toch had hij er ook zijn vragen bij. In 1984 schreef hij: “Wat ik me wel eens afvraag: moet ik tot mijn pensioen wis-en natuurkunde blijven geven, juist in deze tijd van zo´n groot priestergebrek. ... In al deze jaren heb ik de zin voor gebed en pastoraal bewaard, en dat blijft mijn eerste prioriteit”.
In 1994 verliet Henk het seminarie en na nog een jaar als Regionale Econoom voor Tanzania en Kenia gefunctioneerd te hebben, kwam hij 28 juni 1995 voorgoed terug naar Nederland. Op 16 april 1995 schreef hij: “Ik heb mijn beste jaren (28) aan Afrika gegeven en dat zal voor mij altijd een bron van vreugde blijven”. In Nederland verbleef hij eerst in Vaassen waar hij enige tijd overste was. Toen de gemeenschap daar werd opgeheven verhuisde hij, eerst naar Dongen, en in 2003 naar Heythuysen. De eerste jaren deed hij daar nog wat pastoraal werk in de omgeving en nam hij vaak deel aan bedevaarten. Maar de jaren gingen tellen en werd hij meer en meer hulpbehoevend. Op 20 januari 2017 is hij rustig overleden. Als we terugkijken op het leven van Henk zouden we op hem ook de woorden van Nicodemus tot Jezus kunnen toepassen:

“Rabbi, wij weten dat u van Godswege als leraar gekomen zijt.”
Joh.3,2

Pater MARTIEN VAN DE VEN

Martien werd op 6 april 1934 in Veghel geboren als oudste van 10 kinderen. Hij werd priester gewijd op 2 februari 1961 te Veghel. Zijn oom, witte pater Jan Hendriks (†26-10-1964), oom van moeders kant, was hem als missionaris voorgegaan naar Tanzania; een andere oom, onze medebroeder Willem van de Ven (Césaire, † 22-9-1977), broer van zijn vader, werkte jarenlang in Burkina Faso. Martien had een groot idealisme en optimisme en was altijd goedgehumeurd. Praktisch werk lag hem goed. Hij hield van sport “zowel binnen- als buitenshuis” en was ook een groot muziekliefhebber.

In december 1961 vertrok Martien naar Tanzania, naar het bisdom Mwanza aan de zuidoever van het Victoria Meer en begon er zijn pastorale werk, leerde er de Sukuma taal en cultuur, o.a. door een maand in het gezin van een Catechist te gaan wonen. De nationale Swahili taal en cultuur kwam later. Bij zijn gouden feest schreef hij: “Ik wilde graag gaan werken in het bisdom van Mgr. Blomjous, want deze had een interculturele visie op hoe de kerk zich in Afrika zou moeten presenteren, nl. aansluiten bij de cultuur van de mensen en hun beleving. Door hun cultuur, zei hij, "is mijn leven verrijkt. Ik heb geleerd te relativeren en ben mijn Westers superioriteitsgevoel kwijt geraakt".

In augustus 1965 wordt Martien pastoor van Sengerema. Hij had daar ook de pastorale zorg voor diverse medische opleidingen en een middelbare school. Eind 1980 vroeg de bisschop hem om Econoom van het bisdom Mwanza te worden. Dat deed hij 5 jaar lang met grote kundigheid en toewijding. In 1985 werd hij Econoom van de Nederlands Provincie en heeft als zodanig 7 jaar lang de financiële administratie gevoerd van de Nederlandse provincie.

In 1993 ging hij terug naar Tanzania, deed opnieuw parochiewerk, maar werd al gauw gevraagd Econoom te worden van de Witte Paters in de regio Tanzania-Kenia. Hij deed dat met de van hem bekende toewijding. Toen hij na 6 jaar begon uit te zien naar een rustiger taak, werd hij toch weer onverwacht gevraagd om in Nederland het economaat op zich te nemen, zij het dan tijdelijk; dat was juist in de tijd dat Dongen gekocht werd en de huizen in Boxtel, Vaassen, Tilburg en Leidschendam werden gesloten. Daaronder viel de verbouwing van het nieuwe St. Charles en de verhuizing.
Maar op 17 augustus 2003 kon hij andermaal terug naar Tanzania. Juist zoals zijn oom Jan Hendriks bleef hij gefascineerd door de cultuur van Wasukuma (± 6 miljoen). Hij hielp in Bujora een Cultureel Centrum opzetten, waar geschiedenis, taal, godsdienst en gebruiken van de Sukuma werden vastgelegd; hij deed dat door boeken, manuscripten, artikelen, enz. te archiveren om zo te voorkomen dat ze kwijt zouden raken. Hij bouwde voort op het in de jaren 60 begonnen museum van confrater David Clement. Op 15 maart 2011 schreef hij: “Je hebt als missionaris te maken met de hele mens, als individu en als lid van de gemeenschap.
Het ‘overbrengen van geloof’ en ‘ontwikkelingswerk’ zijn daarom niet te scheiden”
.

Op 15 november 2009 kwam hij voorgoed naar Nederland en vestigde zich op 15 januari 2010 in Heythuysen. Hij was lid van de Sectorraad, verleende veel mantelzorg, vooral als chauffeur, en ging door met werken voor het Bujora Cultureel Centrum, o.a. door de brieven over de Sukuma van zijn oom Jan Hendriks te vertalen in het Engels en naar het Bujora Archief te sturen.

Op 13 februari 2017 is hij, vrij onverwacht, overleden in zijn appartement. Hij is 82 jaar geworden.


Broeder WIM VAN DIJK

Wim werd geboren op 20 november l926 te Tilburg. Hij volgde de opleiding tot Witte Pater in onze vormingshuizen van St. Charles bij Boxtel, en in ´s Heerenberg, en verbond zich op 17 september 1948 door een missionariseed als broeder aan onze Sociëteit.

Wim was een mild en bedachtzaam man die al zijn werk deed met toewijding, zorg en een groot gevoel voor orde. Alles wat anderen lieten liggen, ruimde hij op. Hij had een prettig karakter, maar kon nu en dan wel wat zenuwachtig worden en dan wat heetgebakerd zijn. Hij wist wat hij wilde en was een doorzetter. Hij was ook iemand die initiatief nam. Hij mocht graag uitknobbelen hoe ergens verbetering in aan te brengen, in de snit van kleding, in de verlichting van ruimten, ... dan keek hij er boeken op na, vroeg rond, probeerde uit. Ook hield hij van de natuur.

Tijdens zijn opleiding in ´s Heerenberg leerde hij het kleermakersvak en naaide honderden gandourah´s en burnousen. In 1949 ging hij naar de procure in Boxtel als receptionist en kok en deed later hetzelfde werk in Santpoort, Rotterdam en Sterksel. Ook sprong hij in bij de technische dienst.
In 1954 ging hij naar Mariënthal, in Luxemburg, voor 2 jaar verdere opleiding. Daar leerde hij o.a. timmeren en elektriciteit. Van 8 oktober 1956 tot Pasen 1960 werkte hij in Zambia, het aartsbisdom Kasama, in de technische dienst. In 1959 schreef Wim: “Ik voelde me hier werkelijk thuis”. Maar vanwege lever en galklachten werd hij receptionist en kok in onze gemeenschap in Woodlands, Lusaka, dichter bij een goed ziekenhuis. In 1963 werd hij benoemd als econoom / manager van het Taal en Retraite Centrum te Ilondola.
In 1971 verhuisde hij naar het bisschopshuis in Mbala voor algemeen onderhoud, en later naar het klein seminarie van Lubushi. Hij werkte nog korte tijd in het bisschopshuis van Mansa, in Lubwe, en tenslotte in Kasaba, bisdom Mansa, voor zijn laatste project: algemeen onder-houd, elektriciteit, watervoorziening.

Op 27 juni 1992 kwam Wim voor goed naar Nederland terug. Zijn regionale overste schreef toen: “Winfried is altijd een zeer toegewijd man geweest en een ware vakman voor allerlei onderhoudswerk. De Regio Zambia is hem zeer dankbaar voor zijn bijdrage aan een groot aantal instellingen”. Hij nam zijn intrek in onze gemeenschap in Breda, verhuisde op 29 dec.

1993 naar Tilburg, en in januari 1995 naar Heythuysen. Hier heeft hij nog bijna 22 jaar zijn goede diensten verleend aan de communiteit. Maar hij werd ouder en zwakker, maar verliet ons toch nog vrij onverwacht op 14 februari 2017.

“Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voort te brengen die blijvend zijn.”
Joh.15,16

FAMILIELEDEN en goede KENNISSEN

  • Theresia Rupert- Platell,
    overleden op 26 okt. 2016 te Deventer
  • Jo Schaminée,
    broer van Andre Schaminée, overleden te Beuningen 17 nov. 2016
  • Nel Schaminée,
    overleden te Tilburg op 2 dec. 2016; zus van Andre Schaminée
  • Henri van Rijn,
    overleden te Den Haag op 2 dec. 2016
  • Elly Peters- van den Berg,
    overleden te Cuijk op 11 dec. 2016; schoonzus van Hans Peters
  • Zuster Marie Rose Schakenraad,
    overleden Uden 26 dec. 2016; zus van confrater Wim Schakenraad
  • Zr. Christa Schrama,
    van de Zusters van “De Voorzienigheid”; overleden te Heemstede op 27 januari 2017.
  • Broeder Bosco, Johannes Arts,
    van de Broeders van Dongen; overleden op 28 jan. 2017 te Eindhoven
  • Mevr. Riet Pals-Akkermans,
    overleden te Breda op 2 febr. 2017; zus van confrater Kees Akkermans.
  • Dhr. Jan van de Laak,
    broer van confrater Ad; in Zweden overleden. Hij was 95 jaar.

Experimenteren in drugsgebruik: In de jaren 70 hoorde collega Gérald Laliberté, een Canadees, veel over "flower power" en drugsgebruik. Zijn broers en zussen, allen in de 40 - 50, wisten dat hun vroege twintigers en tiener kinderen het ook wel eens gebruikten, maar wisten niet wat het nu eigenlijk was. Gérald en al zijn broers en zussen met echtgenoten besloten om het gezamenlijk zelf eens uit te proberen, dus sloten ze zich op in hun zomer-huisje aan het meer, en lieten een stickie rondgaan. Zij vonden er niets aan, hebben het dan ook nooit meer gebruikt, maar hebben nooit zoveel gelachen, en wisten nu ook waar hun kinderen het over hadden.

Post, Henk van der Steen.

Toen Zambia nog Noord Rhodesië was, bestonden daar op het platteland nog geen wc’s. Het bos was groot genoeg. Water-leiding? Vergeet het maar. Een zekere Britse ambtenaar, Bush genaamd, vond dat maar niets. Er moesten latrines ko-men. De meeste mensen zagen dat niet zitten. Doorduwen dan maar die latrines. Spoedig hadden de mensen een woord gevonden voor die nieuwigheid: ’cimbusu’ (= dat ding van Bush). De Witte Paters op het platteland hadden wel hun eigen latrines, maar hun werkgebied was groot. Te voet of op de fiets moesten ze naar verafgelegen dorpen in het bos, meestal via paadjes. Dan kon geen toilet emmer mee. Dus, aanpassen maar. Een Witte Pater deed dat heel goed. Op een goede mor-gen was hij, dacht hij, ver genoeg weg om alleen zijn behoefte te doen. Terwijl hij daar zat kwam er een kind op hem af. Geen paniek! Rustig blijven zitten! ’Goede morgen, pater.’ ’Goede morgen, mijn jongen.’ ’Pater, hier is een brief die gepost moet worden. Kunt u die meenemen?’ De pater keek er naar: adres en postzegel waren in orde. Komt in orde, jongen.’ ’Dank u wel, pater.’ De pater had zijn privacy beschermd en bovendien een goede daad verricht door een brief op de post te doen voor iemand die ver weg woonde.

Roken, Henk van der Steen

Een Witte Pater die een pakje sigaretten per dag rookte kreeg van zijn dokter te horen dat zijn longen behoorlijk aangetast waren. Naast het advies helemaal te kappen met roken, had de dokter nog de volgende goede raad: “U hebt verder nog twee opties, maar die zijn natuurlijk af-hankelijk van uw werkschema: van nu af aan kunt u iedere dag een uur wandelen, ofwel 24 uur in een kist liggen!”



Pleidooi voor een ‘Jihad van liefde’

Mohamed el-Bachiri, uit het Belgische Molenbeek, verloor tijdens de aan-slagen in Brussel van maart 2016 zijn vrouw en hield in december 2016 een toespraak voor de Vlaamse televisie: “Ik ben een Marokkaanse Belg en moslim uit Molenbeek. Vanwege mijn naam, mijn godsdienstige overtuiging en de trieste reputatie van de wijk waar ik woon, word ik door een deel van de bevolking beschouwd als een mogelijke terrorist, iets wat me geweldig aangrijpt. Ik ben ook de echtgenoot van Loubna, de liefde van mijn leven, de moeder van mijn kinderen, omgekomen tijdens de aanslagen van 22 maart in Brussel.”

Vervolgens gaf hij een krachtig en ontroerend pleidooi voor een ‘jihad die geen haat kent’, die ‘haar eigen waarheid niet wil opdringen’, en ‘die er toe aanzet tot de ander te gaan in een jihad van liefde’. Die "Jihad van liefde" moet het antwoord zijn op verdeeldheid en terrorisme.

Mohamed El Bachiri, echtgenoot van Loubna, bewijst dat er meer in een mens zit dan oneindig veel verdriet. Ga naar Google: Jihad van liefde (De Afspraak, 22 december 2016) - YouTube en beluister zijn aangrijpend betoog (in het Frans, maar ondertiteld in het Nederlands).


Waar of niet?

  • Een schoon geweten is vaak het resultaat van een slecht geheugen.
  • Leeftijd is niet belangrijk; wel wat je met die jaren hebt gedaan.
  • Zoek de wijsheid van de ouderdom,
    maar bekijk de wereld met de ogen van een kind.
  • Als er hoop is voor deze wereld,
    dan ligt die in kleine gebaren van menselijke vriendelijkheid.

Zoals eerder in dit nummer al aangekondigd, geven we dit jaar de aanzet tot de vieringen van ons 150-jarig bestaan. In 1868 stichtte Kardinaal Charles Lavigerie de Sociëteit van de Missionarissen van Afrika (Witte Paters). Het jaar daarop, in 1869, stichtte hij de Congregatie van de Missiezusters van Onze Lieve Vrouw van Afrika (Witte Zusters). Bij gelegenheid van deze viering wordt op 30 april dit jaar in het Erfgoedcentrum van het Nederlandse Kloosterleven te St. Agatha (bij Cuyk) een tentoonstelling geopend over de geschiedenis en het werk van de Witte Paters en Witte Zusters onder de titel: ‘De Witte Karavaan’: 150 jaar Witte Paters en Witte Zusters in Afrika.

In de wereldgeschiedenis is 150 jaar maar een kort tijd bestek. Als ik terugkijk in mijn eigen familie, was mijn grootvader 5 jaar oud toen Mgr. Lavigerie het eerste novitiaat van de Witte Paters opende in Algiers. Honderdvijftig jaar komt dan overeen met de levensduur van drie generaties. Maar wat voor een ontwikkeling heeft de wereld en ook Afrika doorgemaakt in die 150 jaar!

‘Karavaan’ verwijst naar de naam die gegeven werd aan een groep missionarissen die de verre tochten ondernamen naar de binnenlanden van Afrika. En ‘Wit’ verwijst natuurlijk naar de traditioneel witte kleding van Witte Paters en Witte Zusters. De manier van reizen van toen en vandaag laat die ontwikkeling heel goed zien. De eerste karavaan van Witte Paters, die bestond uit 2 groepen van 5 missionarissen, de een bestemd voor Uganda en de andere voor Ujiji aan het Tanganyika meer, vertrok op 17 april 1878 uit Algiers. Per boot reisden ze via Marseille naar Zanzibar en verder naar Bagamoyo, aan de kust van het huidige Tanzania. Vandaar vertrokken ze te voet en met dragers het binnenland in. De groep bestemd voor Uganda stak daarna nog met plaatselijke bootjes het Victoriameer over en de eerste missionarissen kwamen in februari 1879 aan Uganda. De andere groep bereikte Ujiji enkele dagen eerder, op 22 januari 1879. De reis had dus ruim 9 maanden geduurd. Vandaag vlieg je in acht uur van Amsterdam naar Entebbe, de nationale luchthaven van Uganda. En elke hoofdstad in Afrika kun je in enkele uren bereiken, terwijl er ook overal binnenlandse luchtlijnen bestaan. Dit geeft een idee van de geweldige ontwikkeling die er heeft plaats gehad in die 150 jaar, een ontwikkeling die te zien is op alle gebieden: politiek, economie, communicatiemiddelen, onderwijs, gezondheidszorg, enz. Maar in 1868 was vooral het Zuiden van de Afrikaanse continent nog grotendeels onbekend uitgezonderd enkele kustplaatsen, waar verschillende Europese landen en ook Arabieren en Indiërs handelsposten hadden gevestigd, van-waar uit o.a. slaven werden verhandeld.

Het was de tijd van de ontdekkingsreizigers, zoals Livingstone, Stanley, Barth, Speke en zoveel anderen, die de binnenlanden introkken en in kaart brachten. Lavigerie las hun reisverhalen en hij zag het als zijn roeping om het Goede Nieuws van Jezus Christus ook te verkondigen aan de bewoners van Afrika en ook daar het Koninkrijk Gods, een wereld van vrede en gerechtigheid te verbreiden. Met dit doel stichtte hij de Missionarissen van Afrika en de Missiezusters van Onze Lieve Vrouw van Afrika. Als volgelingen van Christus kregen zij de opdracht om “alles voor allen” te zijn in de landen waar naar ze werden uitgezonden. Dat hield in: dicht bij de mensen staan, hun taal spreken, zich aanpassen aan hun cultuur; daarom ook was de kleding van de eerste Witte Paters en Witte Zusters geïnspireerd door de kleding van de gewone mensen in Algerije, waar ze leefden en werkten. Het houdt ook in de bereidheid tot een respectvol gesprek met mensen van andere godsdiensten, zoals de Moslims. Maar ze moesten allereerst de boodschap van het Evangelie in praktijk brengen door te getui-gen van Gods liefde voor alle mensen, door het lijden van de mensen te verlichten, zon-der te kijken naar godsdienst of ras. In de eerste jaren betekende dat hulp aan de slachtoffers van hongersnood in Algerije, opvang van weeskinderen en later zowel in Noord Afrika als in Centraal Afrika, strijd tegen de slavenhandel, ook al kon men in het begin niet veel meer doen dan wat slaven vrij kopen. Ook het verzorgen van zieken had veel aandacht. Met deze opdracht vertrokken Witte Paters en Witte Zusters in “Witte Karavanen” naar verschillende landen van Afrika.


[1Hiertoe is wel schriftelijk verlof nodig van de Sector Gedelegeerde.

[2Prof. Dr. Frans Wijsen is hoogleraar praktische religieuze studies en missie studies. Hij doceert in Nijmegen en houdt zich bezig met kwesties van religieuze diversiteit en omgekeerde missie in seculiere en multiculturele samenlevingen. In zijn onderzoek richt hij zich op de islam en moslim-christelijke relaties. Door dit te doen wil hij een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van praktijkgericht onderzoek in Religiewetenschappen en Theologie.

[3SMA (Sociëteit van Afrikaanse Missiën), (niet te verwarren met onze eigen Sociëteit van de Witte Paters, Missionarissen van Afrika) is een gezelschap van missionarissen in 1856 opgericht te Lyon door een Franse missiebisschop, Mgr. Melchior de Marion-Brésillac.

[4“Missionarissen van Afrika” is de officiële naam; de meer populaire naam is “Witte Paters” (vanwege de witte gewaden, die we destijds droegen)

[5Dieven en inbrekers worden gestenigd of doodgeslagen. In een aantal Afrikaanse landen meet een boze menigte die straffen zelf uit omdat ze geen vertrouwen hebben in de politie.

[6Overgenomen uit de ‘Petit Echo’, 2015/02, nr. 1058

[7De 2CV (Frans: deux chevaux) is een auto(otje) van de Franse autofabrikant Citroën.

[8D.w.z.: op pastorale bezoeken in de buitenposten.


Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 1508 / 307229

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen Nederland  De activiteit van de site opvolgen Contactbrieven   ?

Site gebouwd met SPIP 3.2.4 + AHUNTSIC

Creative Commons License