Missionarissen van Afrika.
(witte zusters en witte paters)
(NL).

Contactbrief 3e kwartaal 2015 (nr. 197)

dinsdag 22 september 2015 door Webmaster

Paus Franciscus.


.-.-.-.-.-.-.-.-.-.

De ENCYCLIEK LAUDATO SI’
Editorial
*
ECOLOGISCHE BEKERING
Diverse bronnen
*
ECOLOGIE,
EEN MISSIONAIRE PRIORITEIT

1. E. Quertemont
2. M. Poreku
3. V. Babaine
*
SPIRITUALITEIT via WEBSITES
*
DE WITTE PATERS
IN NEDERLAND, DEEL II

*
IN MEMORIAM LOUIS MELIS
*

GOED NIEUWS UIT AFRIKA
Marien v.d. Eijnden
*
VERENIGING OUD-STUDENTEN
*
OVERLEDEN FAMILIE
*
HET LAATSTE WOORD
is aan Wim Wouters
*

.-.-.-.-.-.-.-.-.-.


Het zal niemand zijn ontgaan: Laudato Si’, de encycliek van paus Franciscus, die op 18 juni jl. is gepresenteerd. Veel mensen keken met spanning uit naar deze “milieu-encycliek”. De media stonden er bol van en de huidige seculiere wereld spitste de oren. Deze brief van Franciscus ging per slot van rekening over de verzorging van ons aller gemeenschappelijk huis, Moeder Aarde.

De Contactbrief die u nu in handen hebt is in hoofdzaak aan dat pauselijk schrijven gewijd. Laudato Si’, dat zijn de eerste woorden van het Zonnelied van Franciscus van Assisi, waarin die middeleeuwse heilige eerst “de dingen van de aarde” of de vier elementen - broeder wind en zuster water, broeder vuur en zuster aarde - bezingt, en daarna uitmondt bij de levensweg van de mens. In navolging van hem verwijst paus Franciscus ons naar een scheppingsspiritualiteit die de hedendaagse mens heel goed schijnt te begrijpen. Franciscus van Rome, in navolging van zijn grote voorbeeld, Franciscus van Assisi, nodigt ons uit tot een eerbiedige, ingetogen aandacht en respect voor de totaliteit van leven en schepping. Die spiritualiteit die ieder van ons zou moeten beleven, komt niemand zo maar aanwaaien; de mens heeft immers al veel te lang de dominantiegedachte uit het boek Genesis misbruikt: “Onderwerpt de aarde!” [1] . Die dominantie en de overtuiging dat de mens heer en meester is over de schepping en er mee kan doen en laten wat hij wil, heeft in de voorbije jaren maar al te zeer uitgepakt ten nadele van de schepping en die heeft er onnoembare schade van ondervonden. Al veel te lang gaat de mens te ruw, te gedachteloos en te respectloos om met de schepping en met elkaar. Nu we door paus Franciscus uitgenodigd worden tot het beleven van deze scheppingsspiritualiteit, moeten we ervan doordrongen zijn dat zo’n spiritualiteit slechts verworven kan worden door het ervaren, het meemaken en doormaken van de aarde in neerbuigend respect dat slechts wordt verkregen door steeds zorgvuldiger te leven in aandacht en harmonie met zichzelf, met de schepping, de medemens en met God.

De tegenwoordige mens – ongeacht ras, taal of religie – heeft een dringende behoefte aan eerbiedige, ingetogen aandacht en diep respect voor die ene moeder, die we allemaal gemeenschappelijk hebben, namelijk onze Moeder Aarde. Daarvoor is stilte en rust nodig. Wat jammer toch dat juist die stilte en rust tegenwoordig zo schaars zijn.

In deze Contactbrief vind u over hetzelfde onderwerp een kort verslag van drie van onze collega-witte zusters en paters [2], die een getuigenis geven van hun apostolische inzet op het gebied van ecologie. Tevens gaat deze uitgave door met het tweede deel van een beknopte geschiedenis van de Provincie/Sector van de Nederlandse Witte Paters, waarmee we begonnen in de vorige editie. Wij wensen u veel leesplezier.

Piet van der Pas


Franciscus van Rome
Johannes Paulus II sprak al in 2001 over de noodzaak van een “ecologische bekering” en ook Benedictus XVI kwam daar zó regelmatig op terug dat hij soms de “groene paus” werd genoemd. Zij brachten hun ideeën daarover naar buiten in apostolische brieven, boodschappen of verklaringen. Maar het was paus Franciscus die er onlangs voor het eerst een encycliek aan wijdde, d.w.z. een pauselijk document dat wereldwijd gewoonlijk veel meer aandacht krijgt. Zoals zijn voorgangers richt ook Franciscus in Laudato Si’ onze aandacht op de zwaar verstoorde relatie van de mens met Gods schepping en de onbeteugelde en onomkeerbare schade die hij eraan toebrengt. Wat hier vooral opvalt is dat de institutionele Kerk eigenlijk nooit op déze manier in de bres gesprongen is voor ecologisch problemen. Tot nog toe hoorden we maar al te vaak: “De Kerk moet zielen redden, geen zeehonden”, en “Wat heeft de problematiek van de opwarming van de wereld met de Katholieke Kerk te maken”?

Toch blijft Franciscus helemaal binnen de katholieke traditie en wil hij ons aanzetten tot een spiritualiteit, die zich richt op respect en liefde voor de totaliteit van Gods schepping. Hij erkent dat hij in de schuld staat bij zijn naamgenoot de H. Franciscus van Assisi, die de zon en de maan, de vogels en de wind groette in termen van broeder en zuster, en voor wie dat geen vlaag van waanzin was, zoals sommigen dachten. Er zijn honderden verhalen over hem die vertellen hoe hij preekte voor de vogels, met een wolf onderhandelde over vrede, en hoe hij dieren hielp die verstrikt waren geraakt in netten of klemmen en hen vermaande volgende keer voorzichtiger te zijn. Hij toonde hiermee een diep inzicht te hebben in de schoonheid van de schepping en hoe die schepping het mysterie van God ten toon spreidt.

Franciscus van Assisi
Aan het einde van zijn leven, vermoedelijk in het jaar 1225, schreef de heilige Franciscus zijn Zonnelied, een gebed geschreven toen hij zwaar ziek lag in San Damiano en de pijnlijke tekenen van stigmata vertoonde. Opmerkelijk is dat hij in zijn loflied op de schepping niet alleen de mooie aspecten ervan weergeeft, maar ook ziekte en zelfs de dood een plaats in het leven van de christen weet te geven. Voor ons vandaag lijkt het een herontdekking van iets, dat b.v. primitieve volken in Afrika en elders nog wel kenden, maar dat wij door de eeuwen van onze beschaving heen schijnbaar weer kwijt zijn geraakt.

Het is het eerste lied dat in het Italiaans (in een Umbrisch dialect) werd geschreven. De encycliek van paus Franciscus heeft als titel Laudato Si’ (Wees geprezen), naar de begintekst van de coupletten. Hieronder de volledige tekst. Leest u die vooral langzaam en contemplerend:

Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
aan U zij de lof, de roem, de eer en alle zegen.
U alleen, Allerhoogste, komen zij toe
en geen mens is waardig uw naam te noemen.

Wees geprezen, mijn Heer, met al uw schepselen,
vooral door broeder zon,
die de dag is en door wie Gij ons verlicht.
Hij is mooi en straalt met grote pracht;
van U, Allerhoogste, draagt hij het teken.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster maan en de sterren.
Aan de hemel hebt Gij ze gevormd, helder en kostbaar en mooi.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder wind
en door de lucht, bewolkt of helder, en ieder jaargetijde,
door wie Gij het leven van uw schepselen onderhoudt.

Wees geprezen, mijn Heer, door zuster water,
die heel nuttig is en nederig, kostbaar en kuis.

Wees geprezen, mijn Heer, door broeder vuur,
door wie Gij voor ons de nacht verlicht;
en hij is mooi en vrolijk, stoer en sterk.

Wees geprezen, mijn Heer,
door onze zuster, moeder aarde, die ons voedt en leidt,
en allerlei vruchten voortbrengt, bonte bloemen en planten.

Wees geprezen, mijn Heer, door wie omwille van uw liefde
vergiffenis schenken, en ziekte en verdrukking dragen.
Gelukkig wie dat dragen in vrede,
want door U, Allerhoogste, worden zij gekroond.

Wees geprezen, mijn Heer, door onze zuster de lichamelijke dood,
die geen levend mens kan ontvluchten.
Wee hen die in zonde sterven;
gelukkig wie zij in uw allerheiligste wil vindt,
want de tweede dood zal hun geen kwaad doen.

Prijs en zegen mijn Heer,
en dank en dien Hem in grote nederigheid.

Franciscus van Assisi herinnert ons eraan dat ons gezamenlijk verblijf op aarde te vergelijken is met dat van een zuster met wie we ons leven delen of een moeder die haar armen naar ons uitstrekt om ons te omarmen. Die zuster schreeuwt het nu naar ons uit dat we haar onbeschrijfelijke pijn aandoen door ons onverantwoord gebruik van de aarde. De gewelddadigheid in onze harten zien we gereflecteerd in de symptomen van ziekte waaraan onze aarde, het water en de diverse levensvormen lijden. We hebben haar naar willekeur geplunderd en verkracht.

Nu we de persoon van Franciscus van Assisi in herinnering roepen, moeten we ons realiseren dat een gezonde relatie met de schepping betekent dat we geroepen zijn tot persoonlijke bekering. Dat betekent erkenning van onze fouten en zelfs de terreurdaden die wij bedreven tegen de schepping, tegen onze Moeder Aarde. We hebben een ‘ecologische bekering’ nodig, een ommekeer van het hart, want nog nooit in de laatste 200 jaar hebben we onze gemeenschappelijk woonplek zo misbruikt als nu. In navolging van Franciscus van Assisi nodigt Franciscus van Rome ons uit ons te bekeren tot een hernieuwde scheppingsspiritualiteit.

P. van der Pas


1. Bescherming van de natuur, Emmanuel Quertemont, M. Afr.

“De Witte Paters werkten aan ecologie en integriteit van de schepping lang vóór die woorden uitgevonden waren. Rond onze oude missieposten vind je ook vandaag nog oases van groen, met bomen van soms meer dan 100 jaar oud. De oprit naar zo’n missiepost is dikwijls een oproer voor het oog van flamboyante kleuren van bloemen en struiken. En toch, al in 1968 toen ik in Mwanza (Tanzania) aankwam, klaagden mijn confraters over de verwoestende effecten van ontbossing. In 50 jaar tijd is de bevolking meer dan verdubbeld, van 18 miljoen naar meer dan 40 miljoen, en de vraag in dorpen en steden naar brandhout nam enorm toe. Houtskool is een ware vloek geworden. Met eigen ogen heb ik gezien hoe hele streken ontbost werden. De woestijn neemt over.

Gelukkig heb ik altijd "groene vingers" gehad en al vroeg smeekte de armzalige staat van onze leefomgeving mij om hier iets aan te doen: doe wat voor het behoud van de natuur met middelen door de moderne landbouw aangereikt, met middelen die tegelijkertijd ‘groen’ zijn en aangepast aan de behoeften en mogelijkheden van de lokale bevolking. Zo probeerde ik vervolg te geven aan de activiteiten van onze voorgangers. In 1974 besloot ik een tamelijk ongewoon sabbatjaar te nemen en liet me inschrijven in het Landbouwinstituut van Carlsbourg in de Belgische Ardennen. Gedurende een heel jaar volgde ik, cursussen in land- en bosbouw, samen met een aantal boerenzonen. Ik richtte me meer op de praktijk dan de theorie. De Broeders die het instituut runden hadden juist hun hele ‘koloniale afdeling’ gesloten, maar stelden de hele bibliotheek over tropische onderwerpen – die al naar de zolder was verhuisd – tot mijn beschikking. Ik verslond die boeken en tijdschriften. Op het einde van de cursus gaf de Broeder Directeur mij al de boeken cadeau die ik nuttig achtte voor mijn werk in Afrika. Sindsdien sleepte ik twee grote kisten vol boeken overal mee naar toe en ze zijn mateloos nuttig gebleken.

In de diverse parochies waar ik te werk gesteld werd, heb ik altijd mijn best gedaan de prachtige natuur die ons omgaf te beschermen. Ik gebruikte steeds aangepaste technieken om compost te maken, ontwikkelde natuurlijke insecticiden, werkte aan erosiebestrijding, zaadselectie en agro-bosbouw. Ik toonde aan hoe je vruchtwisseling, hak- en afbrandtechnieken toepast en hoe je zaadbedden aanlegt voor de bosbouw. Drukke pastorale arbeid en constructiewerk weerhield me niet overal mijn ecologisch-vriendelijke landbouwmethoden toe te passen. Poreuze plastic cementzakken sneden we doormidden en vulden de helften met compost, as en droge mest om daar zaden in te planten. Die zakken hielden het vocht beter vast. Zo produceerden we bergen verse groenten zoals Chinese kool, aubergines, okra, watermeloenen, zoete pepers, tomaten, uien, erwten, pompoenen, etc., voor onze eigen tafel, voor het naburig ziekenhuisje en voor de buren. Eigen compost, gedroogde koeienmest van het Masai-vee, kaf van gedorste rijst, pulp van uitgeperste palmnoten, noem maar op, al die natuurlijke bemestingsmiddelen kwamen dus goed van pas.
We pasten groenbemesting toe; in de ons omgevende ‘bushbush’ was ‘onkruid’ genoeg dat daarvoor geschikt was: de bekende ‘marejea’ (crotalaria ochroleuca) b.v. en de upupu ofwel ‘fluweelboon’ (mucuna pruriens), die veel stikstof bevat. Die laatste wordt trouwens ook gebruikt voor de behandeling van Parkinson en schijnt een krachtig afrodisiacum te zijn. Dank zij de fluweelboon hebben we een waardeloos stuk grond veranderd in een vruchtbare palmolieplantage. Dan is er ook nog het Guinea gras (panicum maximum), dat de grond verrijkt en een uitstekend veevoer is.”

“God zag alles wat hij gemaakt had en het was erg mooi” (Genesis 1:31).

2. De desastreuze gevolgen van mijnbouw in Afrika,
Zr. Maamalifar, Poreku, Msola

“Afrika is rijk aan mineralen. Het is de belangrijkste producent van goud en coltan (gebruikt in elektronische apparatuur). Die rijkdom is een zegen maar tegelijkertijd ook een vloek, omdat de reserves aan mineralen een bron zijn van conflicten in veel Afrikaanse landen. Het mag verbazen te weten dat er meer illegale mijnbouwmaatschappijen zijn dan legale. In Ghana b.v. komen jaarlijks meer dan 10.000 Chinese immigranten aan die aan kleinschalige illegale mijnbouw willen gaan doen. En dat lang niet alleen in Ghana.

In 2013 deed de werkgroep ‘Integriteit van de Schepping’ van het Inter-Congregationele JPIC-Comité in Rome een wereldwijd onderzoek onder religieuze congregaties, kerkelijke instellingen en Ngo’s naar slachtoffers van de mijnindustrie. Het kwam als een shock dat Afrika slechts 4% van de antwoorden instuurde. Waarom is er zo’n minimale interesse in iets dat zo’n groot lijden onder bevolking veroorzaakt? Is er daar zo’n geweldig gebrek aan bewustzijn van de sociaaleconomische en gezondheidsconsequenties voor de levens van duizenden Afrikanen?

Mijnbouw heeft lange-termijn-gevolgen voor de leefomgeving vanwege de chemische en giftige afvalstoffen die in waterbronnen en rivieren terechtkomen. Open mijnbouw leidt tot ontbossing, erosie, luchtvervuiling en waterpollutie. Dat alles is een directe aanslag op het leefomgeving van de mens en zijn uiteindelijke overlevingskansen. Het heeft verwoestende gevolgen voor de ecosystemen van de zoetwatermeren in Afrika terwijl we de verwoesting van het habitat en de biodiversiteit voor hun zeeorganismen voor onze ogen zien gebeuren. Kortom, de flora en fauna van het continent worden bedreigd. In Sierra Leone bijvoorbeeld liggen duizenden open putten van verlaten mijnen. Het wild is weg, er is geen vruchtbare grond meer en vroegere grasland is verdwenen. Een groot deel van het Nationale Park van Kahuzi Biéga in Oost-Congo, en een van de laatst resterende habitats van de gorilla, is verwoest door het illegaal mijnen van kostbare mineralen. De experts van Oxfam voorzien blijvende schade die bijdraagt tot nog grotere armoede van de regio.

En wat betreft de socio-economische gevolgen: we zien conflicten tussen de mijnwerkers, boeren en plaatselijke bevolking; mensen verdreven van het land van hun voorouders; de voedselketen onderbroken; achteruitgang van publieke voorzieningen zoals scholen en dispensaria; gewelddadigheid onder de jeugd; gewetenloze gewapende milities regeren: dat alles leidt tot economische afhankelijkheid en steeds grotere armoede.

De mineralen van Afrika dragen bij aan de ontwikkeling elders ter wereld. Maar de slachtoffers ter plaatse schreeuwen het uit naar ons en ieder die van hun rijkdom profiteren. Horen wij die noodkreet? Zijn wij bereid in actie te komen om deze onrechtvaardigheden een halt toe te roepen? Kan hun lijden ons iets schelen?”

“Ik heb gezien hoe mijn volk in Egypte er aan toe is en heb hun geschreeuw gehoord” (Ex. 3:7)

3. Ecologie, een missionaire bekommernis,
Venerato Babaine, M. Afr.

Tijdens het leven van Lavigerie waren de termen ecologie en integriteit van de schepping niet bekend. Toch kan bovengaande uitspraak van de kardinaal ons vandaag tot nadenken stemmen over die zaken die de huidige wereld zo intens bezig houden. In feite zegt Lavigerie dat onze liefde voor de mensen tot wie we gezonden zijn niet te scheiden is van onze liefde voor hun leefmilieu. Door die liefde in praktijk te brengen en door een eenvoudige levensstijl te beoefenen moeten we de ‘geestelijke banden leren herkennen die ons binnen de schepping met elkaar verbinden en die ook verder ontwikkelen’. Zo moeten we de scheppingsspiritualiteit beleven waartoe ook paus Franciscus ons uitnodigt.

Sommigen praten over ‘Bescherming van onze Leefomgeving’, of ‘Integriteit van de Schepping’. In wetenschappelijke termen spreekt men van ‘Ecologie en Biodiversiteit’. Hoe je het ook noemt of van welke hoek je het ook bekijkt, het nodigt altijd uit tot actie. In witte paterskringen gebruiken we vooral de afkorting JPIC-ED [3] ; daar gaat het dan over de rol van de mens binnen het geheel van de mensengemeenschap: over hun activiteiten en relaties binnen het geheel van de schepping. Een vorm van sociale ecologie dus die wij opvatten als een echte missionaire taak.

Waarom ons druk maken over ecologie? Omdat wij gezonden zijn een betere wereld te bouwen met en voor de mensheid. Zo gauw je het woord ‘ecologie’ uitspreekt, komen er meteen andere woorden naar boven zoals: relatie, interactie, onderlinge afhankelijkheid, co-existentie, leefomgeving en vooral leven en voortuitgang. Het betreft "alle leden van de wereldgemeenschap" en precies daarom is het een vitale bekommernis van onze missie. Het is een kwestie van liefde en rechtvaardigheid dat mensen toegang verkrijgen tot de meest basale levensbehoeften: voedsel, goed drinkwater, en al die andere dingen die bijdragen tot de menselijke waardigheid. Het is dan ook een ‘must’ om ecologie hoog op de pastorale agenda te plaatsen.

Reeds als kleine jongen wist ik dat onze papajaboom water nodig had en dat de dieren goed verzorgd moesten worden om ons goede kwaliteit melk en vlees te leveren. Tijdens onze training als Witte Pater plantten we bomen, bloemen en planten. Een goede boomgaard en groentetuin was belangrijk voor onze gezondheid en het was bovendien prettig na een drukke dag in de pastoraal daar te vertoeven in de koelte van de avond. Als er dus in mijn missionaire arbeid geen raakvlak is met kwesties die het dagelijks leven van mensen van heel nabij raken, dan is mijn werk slechts halfbakken. We moeten onze mensen motiveren door de bescherming van de natuur direct te koppelen aan hun dagelijks leven. We moeten komen tot een ommekeer in onze houding ten opzichte van de mensheid en de ons omringende wereld; we zijn geen heersers of soevereinen, maar we zijn zelf onderdeel van het ecosysteem en we moeten onszelf en Gods aanwezigheid plaatsen in relatie tot de biodiversiteit. We moeten het religieuze element van traditionele culturen ten opzichte van de natuur leren herwaarderen, waar bomen, rotsen, meren, waterbronnen, bergen, insecten of dieren als heilig beschouwd werden. Laat ons opnieuw de passie omarmen van monniken en religieuzen van alle eeuwen en de geheimen ontdekken van hun intimiteit met de natuur in hun gebed en hun werk.


Gediend van een stukje goed advies? Bekijk dan de volgende websites eens: u vind gebedspodcasts voor iedere dag, bijbelmeditaties, Ignatiaans bidden, videomeditaties, visuele verhalen! Heel boeiend!


Vandaag hervatten we het verhaal waar we in de vorige Contactbrief (Nr. 196) mee begonnen, namelijk de geschiedenis van de Witte Paters in Nederland.

We vertelden hoe zij in 1889 in Nederland hun werk aanvingen. We deden dat aan de hand van het boekje van Gerard Kapteyns: ‘Honderd Jaar Witte Paters in Nederland’. We beschreven enkele markante plaatsen, zoals de eerste tijdelijke vestiging in Huize Gerra te Haaren en het nieuwe vormingshuis St. Charles te Hal bij Boxtel, huizen die werden bemand door al even markante figuren als de Franse pater Louis Jamet (linksboven) en onze eigen Jacques de Louw (rechtsboven).

Na de eerste wereldoorlog, waar Nederland niet rechtstreeks bij betrokken was, maar wel de gevolgen van ondervond, werd de draad weer opgepakt en werden diverse propaganda-activiteiten weer opgestart. Naast vernoemde personen die daar de hand in hadden, moeten ook namen als die van Bernard Zuure (linksonder) en Piet Zoetmulder (rechtsonder) vermeld worden. Zuure behaalde een doctoraat in filosofie, werkte 17 jaar in Burundi, was journalistiek begaafd en schreef boeiende artikelen. Zijn bekende boek, ‘Vulpenkrassen’, vond een enthousiaste lezerskring. Zoetmulder vertrok na zijn wijding naar Congo maar kwam na 20 jaar terug om het propagandateam te versterken. Hij was een goed en geestig spreker die zijn lezingen met anekdotes en goocheltrucks doorspekte. In de jaren dertig hield hij wel 100 voordrachten. Een kleine, bescheiden, maar o zo nuttige helper van deze mannen was het vroeger zo bekende missiebusje!

Kortom, het was de periode van emancipatie, van het “Rijke Roomse Leven”. Die opbloei was van grote invloed op de ontwikkeling van de missie-geest en de missieactiviteiten. Het ging goed, ook met de Witte Paters. In 1919 telde de Sociëteit 143 Nederlandse leden; in 1939 waren het er 345. Steeds meer kandidaten meldden zich aan.

Sterksel en ‘s-Heerenberg


Aan de behoefte aan een volledig eigen opleiding werd tegemoet gekomen door de bouw van een kleinseminarie, het St. Pauluscollege te Sterksel, waar in 1926 begonnen werd met 58 leerlingen. In 1932 werd St. Charles uitgebreid en kwam er plaats voor nog eens 50 filosofiestudenten naast de al aanwezige kandidaten voor het broederpostulaat.
In 1937 nam men in ’s-Heerenberg een huis van de Jezuïeten over dat vlak aan de Duitse grens gelegen was en waar een noviciaat en theologie-opleiding gevestigd werd. Die groeiperiode droeg duidelijk het stempel van pater Antoon Kersten, de toenmalige provinciaal. Kersten was zijn leven lang filosofiedocent en de man van het innerlijke leven. Vanaf zijn priesterwijding in 1898 tot 1939 vormde hij meer dan 200 Nederlandse leden van de Sociëteit, waarna Antoon Teepe het van hem overnam.

Aan het begin van de tweede wereldoorlog werden Sterksel en ’s-Heerenberg tijdelijk gesloten. Een derde van ’s-Heerenberg werd door de Duitsers in beslag genomen en het noviciaat verhuisde naar St. Charles. Zo goed en zo kwaad als het ging, ging men door met de studies.


In september 1944 werd St. Charles opgeëist door het Duitse leger in aftocht. Nog in dezelfde maand werd Sterksel bevrijd. ’s-Heerenberg had nog een lange lijdensweg te gaan; na een korte onderbreking werd het huis gevorderd door de Wehrmacht en door de SS, die grote vernielingen aanrichtten. In 1944 werd het ingericht als noodhospitaal voor Nederlandse dwangarbeiders. Wekenlang lag het in de vuurlinie en boden haar kelders een schuilplaats aan honderden buurtbewoners. Angst, zorg en dagelijkse spanningen beheersten het leven van talloze buren, vrienden en medebroeders.

Toch vonden tijdens die jaren 66 priesterwijdingen plaats en 16 broeders legden hun eed af. Niemand kon naar Afrika, dus ging een aantal door met verdere studies in Nijmegen of stelde zich beschikbaar voor de pastoraal in Nederland.


De Witte Paters kregen zodoende nog meer bekendheid en kenden in die dagen een aanmerkelijke groei van het aantal roepingen.

Het is begrijpelijk dat na de oorlog veel missionarissen zo gauw mogelijk naar Afrika wilden; vele anderen wachtten daar na een extra lang verblijf in de tropen op een gelegenheid op vakantie te komen. Pater Gerard van de Ven ging die reizen organiseren en dat resulteerde in de oprichting van "Raptim" [4].

Intussen werden St. Charles en ’s-Heerenberg weer bewoonbaar en functioneel gemaakt en werd de materiele schade hersteld. Dat werk werd in 1947 toevertrouwd aan pater Herman Hartman, de nieuwbenoemde provinciaal. Hij had negen jaar missie-ervaring en was daarna nog aalmoezenier in het Engelse Koloniale Leger geweest. Het propaganda-apparaat was in de oorlogsjaren ingestort. Contacten met zelatrices, missietentoonstellingen en spreekbeurten, dat alles had lang stil gelegen. Men moest opnieuw beginnen. Sterksel was vol en moest uitgebreid worden. Er moesten betere contacten gelegd worden met Nederland ‘boven de rivieren’. Voor korte tijd hadden we een huis in Scheveningen; dat verhuisde in 1951 naar Rotterdam: eerst aan de Heemraadsingel, later naar de Karel Doormanstraat. Stap voor stap werd het propaganda-apparaat weer opgebouwd. De ‘Annalen’, de bekende Gele Boekjes, verhuisden na ruim 60 jaar van de Broeders van Oudenbosch naar de procure van Boxtel en kwam in handen van Adriaan de Koning onder de naam: ‘Afrika’. Boeken werden heruitgegeven.
De Belgische pater Roger de Vloo maakte populaire missiefilms, documentaires en speelfilms over Afrika en kreeg al gauw deskundige medewerking van onze eigen Piet Verstegen.

Santpoort
Ondertussen, in maart 1949, vond men in Santpoort in het noorden des land een geschikte plaats om een tweede kleinseminarie te bouwen. De bouw werd opgeleverd in 1952 en het eerste schooljaar startte met 75 studenten. Het zag er allemaal goed uit, maar in feite was de financiële situatie van de Nederlandse Provincie heel kritiek. Toch kon het schip in de vaart blijven omdat het propaganda-team weer op volle toeren ging draaien met nieuwe zelatrices, missiebusjes, een loterij, vastenactie van de KRO en een folderactie die later zou uitgroeien tot het Afrika Steunfonds dat tot op de dag van vandaag toe goed functioneert. Een naam die hierbij vermeld dient te worden is die van pater Cor Moerel, die de bezielende leiding had van dat propagandateam.


Internationalisering
In 1947 hielden de Witte Paters hun eerste naoorlogse kapittel in Rome. De balans werd opgemaakt van de voorbije jaren en het beleid werd uitgestippeld voor de toekomst. De wat eenzijdige Franse geest werd doorbroken en er kwam een sterkere nadruk liggen op Oost- en Midden-Afrika. Ook werd de Sociëteit van toen af officieel tweetalig. Noviciaten en theologieopleidingen werden geïnternationaliseerd.
Nederlandse studenten gingen naar de VS, Engeland, Canada en België, terwijl Duitsers, Canadezen, Belgen, Amerikanen en Britten naar ’s-Heerenberg kwamen: inburger-cursussen dus over en weer om zich later gemakkelijker te kunnen aanpassen in Afrika. Onze kleinseminaries gingen de algemeen geldende eisen volgen van een gymnasiumopleiding, met bevoegde leraren, afgerond met eind- of staatsexamen. In de jaren 1947-1956 hadden Sterksel en Santpoort tussen de 180 en 200 leerlingen met ieder jaar een lichte stijging. In 1956 telde de Sociëteit 476 Nederlandse leden, broeders en paters.

De onafhankelijkheid van Afrikaanse landen
Vanaf die jaren werd ook de roep van Afrikaanse landen om onafhankelijkheid van de koloniale machthebbers steeds luider. En die kwam er, soms op vreedzame wijze, soms met geweld. Grote krantenkoppen in Nederland lokten allerlei reacties uit: angst en ongerustheid bij familieleden, maar ook belangstelling en hulpvaardigheid. Priesters en lekenhelpers, zoals de Kajotters [5] , boden hun hulp aan. De taak van missionarissen werd ter discussie gesteld. Missielanden werden ontwikkelingslanden, missieposten werden parochies en landeigen kerken kenden een groeiende Afrikaanse clerus. In Nederland gingen verschillende ordes en congregaties nauwer samenwerken en hun eigen tijdschriften, kalenders, propaganda-apparaten werden gebundeld. De eerste stap was de Algemene Missiekalender en het door de Witte Paters opgerichte reisbureau Raptim kwam tot grotere bloei.

Afrikanisering van de Kerk
Ook hadden er kerkelijke ontwikkelingen plaats: apostolische vicariaten [6] werden bisdommen en Afrikaanse bisschoppen vervingen ‘missie’-bisschoppen. In 1957 waren er 17 Afrikaanse bisschoppen; in 1966 waren er al 85, plus twee kardinalen. De emancipatie had natuurlijk ook te maken met het 2de Vaticaans Concilie, waar de Afrikaanse Kerk massaal vertegenwoordigd was. Het idee van een ‘wereldepiscopaat’ was geboren en ook in Nederland was er een groeiende missionaire bewogenheid.

Vanwege de op gang gebrachte veranderingen in Kerk en maatschappij kon het volgende Algemeen Kapittel van 1957, waar onze landgenoot Leo Völker als eerste niet-Fransman werd gekozen tot Algemene Overste, geen afgerond beleid uitzetten voor de volgende jaren. Er werd ruimte gelaten voor experimentele ontwikkeling. In het licht van het op handen zijnde Concilie zou het volgende kapittel de aanpassing van de Sociëteit opnieuw onder de loep nemen. Wel werd er een ingrijpend besluit genomen dat Nederland betrof, nl. dat de internationale theologieopleiding van ’s-Heerenberg overgeplaatst werd naar Engeland. In de 21 jaar dat wij in ’s-Heerenberg waren, zijn er 476 theologiestudenten opgeleid waarvan er 321 Witte Pater zijn geworden. Daarnaast hebben 55 broeders er hun missionaris-eed afgelegd. Het idee om in Nederland door te gaan met een noviciaat bleek niet haalbaar.

’s-Heerenberg, behalve onderdak te bieden aan novicen en theologiestudenten, verzorgde ook een groep bejaarde medebroeders. Voor hen werd een nieuw tehuis gevonden in Oss in ‘Huize Katwijk’. Dat was echter maar een voorlopige oplossing. Het probleem van onze bejaardenzorg zou in de nabije toekomst intensievere aandacht gaan opeisen.


Louis werd op 31 mei 1930 in Tilburg geboren, verbond zich op 16 juli 1955 door de missionaris-eed aan onze Sociëteit en werd op 2 april 1956 in Tilburg priester gewijd. Hij was een man met wilskracht, was een doorzetter en stond altijd klaar een dienst te verlenen en onverschillig welke job aan te pakken. Wat hij deed, deed hij grondig, methodisch en ordelijk, altijd met oog voor details. Een van zijn vroegere leraren karakteriseerde hem als “een vuurvreter”. Louis was inderdaad levenslustig en opgewekt, zijn lach hoorde je van ver, maar hij kon ook diep in de put zitten en de zware kar trekken.

In december 1956 vertrok Louis naar het bisdom Kigoma in Tanzania, om in Ujiji de landstaal Swahili te leren en zich te verdiepen in de plaatselijke cultuur. Ujiji was een typisch Moslimplaatsje aan het Tanganyika-meer, het stadje waar journalist en ontdekkingsreiziger Stanley in 1871 de zendeling David Livingstone ontmoette. In 1957 verhuisde Louis naar het klein seminarie Kaengesa, in het aangrenzende bisdom Sumbawanga, en schreef: “Als je je met hart en ziel aan je werk geeft, dan is het overal goed vertoeven.” In dat schooljaar waren er 273 seminaristen, drie WP’s, één Tanzaniaanse priester en 6 leken-leraren.

Eind 1961 keerde hij terug naar het bisdom Kigoma om er rector te worden van het klein seminarie van Ujiji. Zij waren daar begonnen dat vroegere seminarie weer op te bouwen en elk jaar kwam er een klas bij. Louis was er de enige priester met 4 Tanzaniaanse leraren; hij gaf er Latijn, aardrijkskunde, godsdienst, zelfs wiskunde, in feite alles wat er te geven was. Een verzorgde eredienst met goede zang was steeds een prioriteit voor hem. Tijdens de vakanties trok hij door het bisdom om toekomstige kandidaten op hun kennis te testen en nieuwe te werven. Hij was er rector en leraar, maar besteedde ook veel aandacht aan toneel en dictie. De studieresultaten waren elk jaar goed, ondanks het constante gebrek aan voldoende en bevoegde leraren.

In november 1968 werd Louis gevraagd om directeur van het Leken Apostolaat te worden in het bisdom en deed dat op zijn grondige en methodische manier. Vanaf april 1970 ging hij pastoraal werk doen in Kasumo, daarna in Kiganza, Kakonko, en weer opnieuw in Kiganza. In juni 1981 vroeg de bisschop hem om zijn secretaris te worden. In februari 1985 werd hij coördinator van de catechese van het bisdom, met als standplaats Kabanga.

In oktober 1990 kwam Louis naar Rotterdam en nam het WP roepingenpastoraat over. Hij deed dat met zijn kenmerkende enthousiasme, maar ondervond al vanaf die tijd onvoldoende weerklank in Nederland. Van 1993 tot 1998 was hij voltijds secretaris van de Nederlandse Provincie. Na die periode verhuisde hij van Boxtel naar onze gemeenschap in Leidschendam en van daaruit nam hij de pastorale zorg van het Woon- en Zorgcentrum Mariënpark op zich. Hij voelde zich begaan met het lief en leed van alle bewoners en ging bij ieder persoonlijk op bezoek. In huis hadden ze een papegaai die de hartelijke schaterlach van Louis perfect kon nadoen!

In 2004 kwam hij in Dongen wonen. Hij zorgde er dagelijks voor de sacristie, en het was er steeds piekfijn in orde. In 2009 vestigde hij zich in Heythuysen en werd een van de aanspreekpunten tijdens de uren en weekenden wanneer de dames-coördinatoren afwezig waren. Sinds 2011 verzorgde hij met zijn heldere stem de zang en muziek in de kapel. Vanaf 2014 moest hij zich terugtrekken, omdat hij kortademig werd en moeilijk ging lopen. Op 16 juni 2015 is hij rustig ingeslapen. Hij werd 85 jaar.

“Een zaaier ging uit om te zaaien ...
en bracht het dertig-, zestig- en honderdvoudige voort”.

Mc. 4,3-8:

Waarover bericht de doorsnee journalist? Over meisjes ontvoerd door Boko Haram, vluchtelingen verdronken op de Middellandse zee, de zwakke euro, misvormde groente in de supermarkt, onthoofdingen door IS, een bendemoord met een machete op klaarlichte dag, een gekapseisde Chinese veerboot met honderden doden, et cetera. Wil je positief nieuws, lees dan maar een advertentie!

Mensen moeten toch afgestompt raken en terneergeslagen door zulk nieuws! Ik heb dikwijls de neiging te gaan zappen bij al die ellende op tv. En dan ineens komt die term "cojo" voorbij. Had ik nog nooit van gehoord! Het staat voor ‘constructieve journalistiek’, dat is: journalistiek die niet breekt maar maakt, die meedenkt hoe de wereld er zou moeten uitzien, die oplossingsgericht is en een completer plaatje laat zien. Waren wij daar in deze rubriek van de Contactbrief al niet een tijdje mee bezig? Let wel: aandacht voor positief nieuws betekent niet dat je slecht nieuws ontkent. Maar artikelen met een positieve invalshoek en een hoopgevend einde worden toch beter gelezen, terwijl overconsumptie van slecht nieuws hulpvaardigheid en tolerantie vermindert. Maar ook een eenzijdige goednieuwsshow kan saai worden, daarom: altijd positief-kritisch blijven kijken naar pogingen om de wereld net een beetje beter te maken. Hieronder een greep uit de ‘goed-nieuws-doos’ van Marien van den Eijnden.

1. Senegal: Groene Muur – Bos en moestuin stoppen verwoestijning
Het ambitieuze Groene Muurproject in Senegal startte in 2008. Het aanplanten van bomen en de aanleg van moestuinen zouden de verwoestijning in de Sahel moeten stoppen. Het project is gepland over een lengte van 550 kilometer, van het westen naar het oosten van het land en over een breedte van 15 kilometer. Omdat er nauwelijks regen valt, wordt er gebruik gemaakt van druppelirrigatie: een waterbesparende methode waarbij water met meststoffen bij de plant sijpelt. De Groene Muur wordt aangelegd in losse percelen, met omheining om de jonge aanplant te beschermen tegen rondtrekkend vee. Er is ondertussen 200 kilometer bos en groentetuin aangelegd. Senegal is de voorloper binnen de Groene Muur, die uiteindelijk over een lengte van 7000 kilometer door elf Afrikaanse landen gaat lopen. Mariken Stolk, One World, Nr. 6, 2015

2. Kenia: "Zak-tuinen" in de Nairobi Achterbuurten
In September 2014 lanceerde het ministerie voor Planning een tuinenproject voor jongeren in achterbuurten, te beginnen in Nairobi met zijn 2.5 miljoen bewoners. Het voornaamste doel is het plaatselijk produceren van voedsel en het scheppen van werkgelegenheid. De meeste "tuinen" bestaan uit een soort plastiek cementzakken, die niet veel buitenruimte innemen, en er worden vooral groenten geteeld zoals een soort boerenkool en spinazie. Van opgehaald voedselafval wordt compost gemaakt, wat gebruikt wordt als organische mest. Groepsleider Ali Majid zei dat ze nu al 3 maal geoogst hadden in 4 maanden! Die tuintjes worden nu gebruikt als demonstratie veldjes voor stadstuinbouw. Jongeren kunnen ook de kost verdienen door te zorgen voor openbare douches en toiletten. The Star 24.2.2015.

3. Burkina Faso - Uit levensbeschrijving van Frans Balemans.
“In 1968 teisterde een enorme droogte het land, de oogst mislukte grotendeels, er was hongersnood. Juist zijn parochie was het ergst getroffen… Hij rolde in het ontwikkelingswerk… in 1969 ontstond de ADRK, de eerste Boerenbond in Burkina Faso… cursussen voor effectieve landbouwmethoden… cultivators en trekezels kopen… strijd tegen de oprukkende Sahara woestijn… 58 putten gegraven waardoor duizenden meer en beter drink water hadden… project voor het verbouwen van rijst…”

4. Tanzania: Kerk voor Schone Energie
De Lutherse Kerk in Tanzania neemt deel aan de strijd tegen globale opwarming door te investeren in alternatieve en schone energie via een programma om landelijk biogas installaties te plaatsen in meer dan 1.140 huishoudens over 5 jaren. Tanzania met 21.3 miljoen koeien, 15.2 miljoen geiten en 6.4 miljoen schapen, is derde in Afrika na Soedan en Ethiopië met het hoogste aantal vee op het continent. Dierenmest ervan kan genoeg biogas produceren om vele huishoudens het hele jaar door te voorzien. De kerkelijk coördinator voor het programma, Mevr. P. Mwaikenda, zei dat de kerk boomplantjes kocht en uitdeelde aan gemeenschappen om zich in te zetten voor hergroening van het landschap en het verminderen van CO2 uitstoot.
Daily News 15-03-2015.


Reünie op zaterdag 3 oktober 2015 bij de Witte Paters, Modestusstraat 20, 5101 BP DONGEN - Telefoon 0162 – 313845. Voor deze reünie worden uitgenodigd:

• Alle oud-studenten met echtgenote / partner
• Alle in Nederland vertoevende Witte Paters en Broeders
• Alle oud-Witte Paters / Broeders met echtgenote /partner.

De ontvangst is om 10.00 uur. Degenen, die de Eucharistieviering willen bijwonen kunnen dit doen om 11.00 uur in de kapel. De afsluiting van de reünie zal rond 16.00 uur liggen.

De onkosten voor de reünie bedragen € 10 per persoon (lunch en drankjes inbegrepen). De jaarcontributie is eveneens € 10. Leden van de VOWP wordt verzocht het verschuldigde bedrag over te maken naar rekeningnummer NL86ABNA0616606575 ten name van de penningmeester C.H.N. Veenhof te Heemstede onder vermelding van contributie / bijdrage reünie VOWP 2015. Om de cash-betalingen tijdens de reünie zoveel mogelijk te beperken, zouden wij uw betaling gaarne vóór 10 september 2015 willen ontvangen.

Deze uitnodiging wordt ook per gewone post (niet per email) verstuurd.
Wij zien u graag op 3 oktober 2015 voor de dertiende keer in Dongen.

Met vriendelijke groet,

Kees (C.H.N.) Veenhof,
secretaris / penningmeester; veenhofc@ziggo.nl
Herenweg 83 A, 2105 MD< Heemstede.
Telefoon 023 - 5281101.

LET OP: nieuw email-adres:
verwijder s.v.p. de email-adressen met telfort en/of tiscali.

Speciale mededeling van het Bestuur van de VOWP:

Nadat al een aantal keren ter sprake is geweest dat de VOWP mogelijk binnenkort zal ophouden te bestaan wil het bestuur u thans het besluit tot opheffing van de Vereniging voorleggen. Zoals bekend, wordt het huis van de Witte Paters in Dongen per januari 2016 gesloten. Er is dan geen WP-locatie meer, waar de reünie kan worden gehouden. Hiermee verdwijnt een belangrijke aantrekkingskracht voor onze steeds ouder wordende populatie. Door een aantal mensen zal dit als een verlies worden ervaren, van de andere kant is het nodig om zo nu en dan activiteiten te beëindigen, ons bewust zijnde van de eindigheid der dingen.
Laten wij tijdens de laatste reünie op 3 oktober in Dongen tevreden terugkijken op de jaren, waarin wij elkaar konden ontmoeten, om zo ook met een voldaan gevoel afscheid te kunnen nemen van een aangename langdurige traditie.

Het bestuur van de VOWP.



† Etten-Leur, 9-7-2015, Zr. Johanna van Lieshout, Witte Zuster (Mzola)

† Someren, 31-5-2015, Zr. Olivie Tilman, Zrs. Clarissen.


Ik krijg met de regelmaat van de klok een lawine aan fotootjes binnen van priesterwijdingen van Witte Pater-studenten in verschillende landen van Afrika. Je ziet de vreugde in de gezichten en in het dansen van mannen en vrouwen, van kinderen en bisschoppen. Dat is een stukje van de schepping, waar mensen aan bijdragen en die ze in eigen hand hebben: blij zijn om hun kinderen en de keuzes die ze maken.

Vandaag heb ik samen met U in deze Contactbrief gelezen hoe Paus Franciscus ons onderhoudt over het beleven van de scheppings-spiritualiteit. Wat moeten we toch dankbaar zijn voor die schepping van ons, die we vooral met goed weer kunnen voelen en kunnen opsnuiven! Maar we kunnen ons gelukkig ook nog kwaad maken over mensen met veel geld die voor hun plezier een leeuw dood schieten in Afrika. Die boosheid laat zien dat we bezorgd zijn voor de schepping. We kunnen ook blij zijn dat er mensen zijn die zich inzetten voor elkaar, voor mensen van andere achtergronden, maar ook voor dieren en voor het behoud van fauna, en grondstoffen op het Afrikaanse continent. Ook met die blijheid vertellen we dat we onze schepping goed willen verzorgen en bewaren. En soms helpt het ons om dankbaar te zijn voor al die geschapen dingen en mensen, en zien we als het ware met één oog, de Schepper van dat alles achter de wolken verschijnen.


[1Genesis 1:28 - “God zei tot hen: Wees vruchtbaar en vermenigvuldigt u. Vervult de aarde en onderwerpt haar. Heb heerschappij over de vissen van de zee en de vogelen des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt!”

[2Gepubliceerd in nr. 1062 van de Petit Echo, een revue voor het intern gebruik van de leden van onze Sociëteit

[3- ‘Justice, Peace, Integrity of Creation and Encounter & Dialogue’ (Gerechtigheid, Vrede, Integriteit van de Schepping en Ontmoeting en Dialoog

[4Raptim was een non-profit reisorganisatie met kantoren wereldwijd. Zij heeft haar oorsprong bij de Witte Paters. Het bestaat nog in een andere vorm

[5- In 1955 vertrokken de eerste zes Kajotters naar Tanzania. In de volgende 15 jaar werkten er meer dan 100 Nederlandse jongeren in diverse ontwikkelingslanden.

[6- In de missie vielen gebieden die nog niet tot een bisdom behoorden aanvankelijk onder een apostolische prefectuur. In tweede instantie ging men over tot de oprichting van een apostolisch vicariaat. Dit was de laatste stap vóór de oprichting van een bisdom.


Homepagina | Contact | Overzicht van de site | | Statistieken van de site | Bezoekers : 1254 / 329340

De activiteit van de site opvolgen nl  De activiteit van de site opvolgen Nederland  De activiteit van de site opvolgen Contactbrieven   ?

Site gebouwd met SPIP 3.2.4 + AHUNTSIC

Creative Commons License